Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5404

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
10-5471 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag. Svb handhaaft besluit niet. Proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5471 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2010, 08/1896 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: de Svb).

Datum uitspraak: 19 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 juli 2011 heeft de Svb gereageerd op een vraag van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in het verleden werkzaam geweest in Nederland en is in 1994 teruggekeerd naar Marokko. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) heeft aanvankelijk met ingang van 20 november 1995 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan appellant toegekend berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na een procedure heeft het Uwv bij besluit van 3 september 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 20 november 1995 herzien naar 80 tot 100%.

1.2. In juni 2005 heeft appellant een aanvraag om toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingediend bij de Svb, welke op 4 juli 2005 door de Svb is ontvangen.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 3 april 2008 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 20 juli 2005 gehandhaafd, waarbij is geweigerd met ingang van het derde kwartaal van 2004 kinderbijslag aan appellant toe te kennen, omdat appellant niet verzekerd was krachtens de AKW.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraken van de Raad van 3 februari 2010 (LJN BL3516, e.a.). In die uitspraken heeft de Raad overwogen dat de Svb het daadwerkelijk toekennen van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1999 terecht bepalend heeft geacht voor de toepassing van artikel 27 van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (KB 746).

3.1. Appellant heeft aangevoerd dat hij wel verzekerd was en is ingevolge de AKW.

3.2. Na kennisneming van het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011 (LJN BP4794), waarbij de Hoge Raad voor de toepassing van artikel 27 van KB 746 een theoretisch recht op kinderbijslag bepalend heeft geacht, heeft de Svb bij brief van 13 juli 2011 medegedeeld nader van oordeel te zijn dat appellant vanaf het eerste kwartaal van 2000 verzekerd is krachtens de AKW en dat het voornemen bestaat om met ingang van het derde kwartaal van 2004 kinderbijslag aan appellant toe te kennen mits voldaan is aan de overige voorwaarden voor het recht.

3.3. Ter zitting is door de gemachtigde van de Svb meegedeeld dat na ontvangst van gegevens over de bankrekening van appellant zo spoedig mogelijk al een deel van de verschuldigde kinderbijslag aan appellant betaald zal worden en dat na ontvangst van de voor enkele kinderen vereiste nadere gegevens besloten zal worden over de aanspraak op kinderbijslag voor die kinderen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat de Svb de weigering van kinderbijslag aan appellant vanaf het derde kwartaal van 2004 niet langer handhaaft. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het daarbij gehandhaafde bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. De Svb dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met betrekking tot de aanspraak op kinderbijslag van appellant. De Raad heeft geen aanleiding gevonden de behandeling van dit geschil aan te houden in afwachting van het nader door de Svb te nemen besluit, nu de Svb ter zitting heeft aangegeven een deel van de verschuldigde kinderbijslag al aan appellant te gaan betalen, al dan niet bij wijze van voorschot, en dat voor de overige kinderen na ontvangst van de vereiste nadere gegevens zo spoedig mogelijk besloten zal worden over de aanspraak op kinderbijslag.

5. De Raad ziet aanleiding om de Svb op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in hoger beroep is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;

Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 805,-;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 150,- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.J. van der Torn.

TM