Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
09-1317 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum kinderbijslag. Bijzonder geval. Van “veiligstellen” is volgens de Svb sprake als vóór het tijdstip van toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering een aanvraag is ingediend en betrokkene voldoende moeite heeft gedaan de Svb in het kader van de aanvraag, of van een eventuele bezwaar- of beroepsprocedure te informeren over de mogelijke toekomstige aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellant is door de Svb niet te kort is gedaan door een terugwerkende kracht toe te passen tot het vierde kwartaal van 1999.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1317 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Turkije, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2009, 08/2744 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 19 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontvangt sinds 21 november 1986 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en is in 1989 met behoud van deze uitkering geremigreerd naar Turkije. Met ingang van 1 juni 1996 is de WAO-uitkering van appellant verlaagd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar

15-25%. Hierdoor was appellant niet meer verzekerd voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

1.2. Bij brief van 27 december 2000 heeft de gemachtigde van appellant aan de Svb meegedeeld dat appellant verwikkeld is in een WAO-procedure en voorts dat met deze brief zijn aanspraken op kinderbijslag worden veiliggesteld.

1.3. Bij brief van 28 december 2007 is namens appellant kinderbijslag ingevolge de AKW aangevraagd ten behoeve van zijn vier kinderen. Namens appellant is hierbij gewezen op een besluit van 9 maart 2007 van het Uwv waarin zijn uitkering ingevolge de WAO met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 1996 is verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.4. Bij besluit van 15 januari 2008 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van het vierde kwartaal 1999 niet verzekerd is voor de AKW en dat hij daarom geen recht heeft op kinderbijslag.

1.5. Bij beslissing op bezwaar van 3 juni 2008 heeft de Svb het bezwaar van appellant gemaakt tegen het besluit van 15 januari 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard. Hierbij heeft de Svb overwogen dat appellant wel verzekerd wordt geacht voor de AKW en dat aan appellant kinderbijslag wordt toegekend over het vierde kwartaal van 1999 tot en met het eerste kwartaal van 2008. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard voor zover het betreft het recht op kinderbijslag voorafgaand aan het vierde kwartaal van 1999.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat aan appellant kinderbijslag dient te worden toegekend met een langere terugwerkende kracht dan tot het vierde kwartaal van 1999. Namens appellant is hierbij gewezen op de bijzondere omstandigheden van het geval zoals de zeer lange en moeizame WAO-procedure en het feit dat appellant vanaf juni 2006 tot 2007 een inkomen had beneden de minimumnorm. Gezien deze omstandigheden dient de Svb gebruik te maken van haar bevoegdheid om ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het beleid af te wijken.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht geweigerd heeft kinderbijslag aan appellant toe te kennen met ingang van enig kwartaal gelegen voor het vierde kwartaal van 1999.

4.3. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend. De Svb is bevoegd om in bijzondere gevallen af te wijken van de termijn van één jaar.

4.4. Voor zover sprake is van een aanvraag heeft de Svb in gevallen als het onderhavige aan het begrip bijzonder geval invulling gegeven door een dergelijk geval aan te nemen wanneer de betrokkene zijn aanspraken op kinderbijslag al eerder op enigerlei wijze veilig heeft gesteld. Van “veiligstellen” is volgens de Svb sprake als vóór het tijdstip van toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering een aanvraag is ingediend en betrokkene voldoende moeite heeft gedaan de Svb in het kader van de aanvraag, of van een eventuele bezwaar- of beroepsprocedure te informeren over de mogelijke toekomstige aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ten aanzien van de mate van terugwerkende kracht wordt door de Svb niet getoetst aan hardheid en wordt een maximale terugwerkende kracht van vijf jaar gehanteerd. Naar aanleiding van uitspraken van de Raad (onder meer de uitspraak van 16 september 2009, LJN BI1503) hanteert de Svb met toepassing van artikel 4:84 van de Awb een langere terugwerkende kracht indien de daad van veiligstellen heeft plaatsgevonden meer dan vijf jaar voor de definitieve aanvraag om kinderbijslag. In die uitspraken heeft de Raad tevens overwogen dat in die gevallen een toekenning van de kinderbijslag vanaf het kwartaal waarin de eerste daad van veiligstellen is verricht de toetsing van de Raad zou kunnen doorstaan.

4.5. Nu namens appellant niet is bestreden dat geen eerdere daad van veiligstellen valt aan te wijzen dan de brief van 27 december 2000, kan niet worden gezegd dat appellant door de Svb te kort is gedaan door een terugwerkende kracht toe te passen tot het vierde kwartaal van 1999. De Raad acht de namens appellant geschetste omstandigheden niet dermate bijzonder dat deze met toepassing van artikel 4:84 van de Awb de Svb hadden moeten nopen om een verdergaande terugwerkende kracht te hanteren.

4.6. Uit de overwegingen 4.3 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.J. van der Torn.

TM