Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
11-2649 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor toelating tot de maatschappelijke opvang berust op goede gronden. Appellanten konden ingevolge art. 11, lid 1, Vw 2000 en art. 11, lid 2, aanhef en onder b, Vw 2000 geen aanspraak maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo in de gemeente Amsterdam. Beroep op art. 8 EVRM faalt. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat art. 8 EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. Niet gebleken dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellanten om wel toegelaten te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2649 WMO

11/3200 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [naam moeder], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant) en

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 6 april 2011, 11/1566 en 11/1513 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Namens appellant is verschenen

mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, kantoorgenoot van mr. Fischer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F. Veldstra.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 2002, en appellante, geboren [in] 1964, hebben de Ghanese nationaliteit. Op

19 augustus 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (verder: de staatssecretaris) de aanvragen van appellanten tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen. De tegen de afwijzing gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van 8 februari 2010 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 december 2010, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage de beroepen tegen de besluiten van 8 februari 2010 gegrond verklaard, de besluiten van 8 februari 2010 vernietigd, de staatssecretaris verboden om appellanten uit te zetten tot vier weken nadat op de bezwaarschriften is beslist en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na verzending van de uitspraak nieuwe besluiten dient te nemen.

1.2. Op 3 maart 2010 is namens appellanten een aanvraag gedaan voor toelating tot de maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Appellanten hebben in de periode van januari 2010 tot 1 juni 2011 in onderhuur gewoond aan de [adres] te [plaatsnaam], welke woning zij met ingang van 1 juni 2011 hebben moeten verlaten.

1.3. Bij besluit van 10 september 2010 is de aanvraag om opvang afgewezen, onder meer op de grond dat appellanten geen geldige verblijfstitel hebben. Het College heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet slaagt omdat geen sprake is van zodanig schrijnende omstandigheden dat toepassing van de Koppelingswet niet meer aanvaardbaar zou zijn.

1.4. Bij besluit van 25 februari 2011 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 10 september 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 februari 2011 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter overwoog daartoe onder meer dat geen sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat op grond van artikel 8 van het EVRM het College gehouden zou zijn maatschappelijke opvang te verlenen.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad is van oordeel, dat in het onderhavige geval sprake is van een verzoek om maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wmo. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4 van de uitspraak van de Raad van 19 april 2010, LJN BM0956, stelt de Raad vast dat de door appellanten gevraagde voorziening geen individuele voorziening als bedoeld in de artikelen 5 en 8 van de Wmo is, zodat de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 het in aanmerking te nemen beoordelingskader vormen.

4.2. Vast staat dat appellanten sinds de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 december 2010, 10/06678, 10/06679 en 10/11452 rechtmatig verblijf hebben in Nederland als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. De Raad is niet gebleken dat aan appellanten ten tijde in geding ook een aanspraak was toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dit betekent dat appellanten ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 geen aanspraak konden maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo in de gemeente Amsterdam. Het betekent voorts dat het standpunt van het College dat de aanvraag van 3 maart 2010 op die grond niet kan worden gehonoreerd, door de Raad wordt onderschreven.

4.3. Ten aanzien van het beroep van appellanten op artikel 8 van het EVRM stelt de Raad voorop dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) als “the very essence” van het EVRM aanmerkt respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De Raad wijst in dit verband onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. vs het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91).

4.4. De Raad is van oordeel dat appellant gelet op zijn leeftijd behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven. De Raad stelt echter vast dat appellanten - zoals ook uit het door hen overgelegde overzicht van hun woongeschiedenis kan worden afgeleid - gedurende de periode in dit geding van belang onderdak hebben gevonden in de woning aan de [adres] te [plaatsnaam]. Reeds daarom is naar het oordeel van de Raad niet gebleken dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellanten om wel toegelaten te worden.

4.5. Uit het overwogene onder 4.3 en 4.4 volgt dat het beroep van appellanten op artikel 8 van het EVRM niet slaagt. Gelet hierop behoeft het beroep op artikel 3 van het EVRM, dat een veel zwaardere norm stelt, verder geen bespreking. De overige door appellanten in hoger beroep aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot een andersluidend oordeel ten aanzien van de weigering van het College van de aanvraag om maatschappelijke opvang van appellanten.

4.6. Ten overvloede en ter voorlichting van appellanten wijst de Raad nog op rechtsoverweging 4.8.4 en 4.8.5 van hiervoor onder 4.1 genoemde uitspraak van de Raad van 19 april 2010.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H.J. de Mooij en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

HD