Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5375

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2011
Datum publicatie
22-08-2011
Zaaknummer
10-3492 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering toeslag. De Raad is van oordeel dat het beleid in het geval van appellante op consistente wijze is toegepast. De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zijn inkomsten van invloed konden zijn op de hoogte van zijn toeslag. Het had voor appellant, gelet op het verschil tussen het bruto-inkomen dat hij tot 1 januari 2007 ontving (€ 1.325,- per vier weken) en het bruto-inkomen dat vanaf 1 januari 2007 aan hem is uitbetaald (€ 1.722,- per vier weken), immers redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij teveel toeslag ontving. De rechtbank heeft gelet op het voorstaande terecht niet aannemelijk geacht dat het appellant niet is opgevallen dat hij sinds 1 januari 2007 een hoger inkomen genoot dan daarvoor. De beroepsgrond ter zake vermeld in 2 treft derhalve geen doel. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat van dringende redenen om van herziening of terugvordering af te zien geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3492 TW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 april 2010, 09/7965 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 13 oktober 2009, waarbij het Uwv, opnieuw beslissend op bezwaar, heeft gehandhaafd zijn besluiten de toeslag van appellant op grond van de Toeslagenwet (TW) te herzien en het teveel uitgekeerde terug te vorderen, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft – kort samengevat – overwogen dat het voor appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij teveel toeslag ontving en dat van dringende redenen om van de herziening en terugvordering af te zien niet is gebleken.

2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet tot het oordeel is gekomen dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt, aangezien hij het Uwv alle informatie heeft verschaft voor het bepalen van het recht op een toeslag. Appellant heeft gesteld dat het Uwv grote fouten heeft gemaakt waardoor er sprake is van dringende redenen om van de herziening af te zien. Appellant wist niet en had ook niet kunnen weten dat hij teveel uitkering ontving. Door de terugvordering komt hij in ernstige financiële problemen. Appellant moet met een minimaal inkomen rondkomen, waardoor hij niet in staat is het bedrag van € 16.282,33 terug te betalen.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2.1. Op grond van artikel 11a, eerste lid onder b, van de TW – voor zover hier van belang – herziet het Uwv de toeslag indien deze tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

3.2.2. Voor de toepassing van voornoemde bepaling hanteert het Uwv de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (hierna: het beleid).

3.2.3. Op grond van artikel 3, derde lid, van het beleid wordt – voor zover hier van belang – de uitkering herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.

3.2.4. Het beleid dient te worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

3.2.5. De Raad is van oordeel dat het beleid in het geval van appellante op consistente wijze is toegepast. De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zijn inkomsten van invloed konden zijn op de hoogte van zijn toeslag. Het had voor appellant, gelet op het verschil tussen het bruto-inkomen dat hij tot 1 januari 2007 ontving (€ 1.325,- per vier weken) en het bruto-inkomen dat vanaf 1 januari 2007 aan hem is uitbetaald (€ 1.722,- per vier weken), immers redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij teveel toeslag ontving. De rechtbank heeft gelet op het voorstaande terecht niet aannemelijk geacht dat het appellant niet is opgevallen dat hij sinds 1 januari 2007 een hoger inkomen genoot dan daarvoor. De beroepsgrond ter zake vermeld in 2 treft derhalve geen doel.

3.3. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat van dringende redenen om van herziening of terugvordering af te zien geen sprake is.

3.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 17 november 2004 (LJN AR6837), kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die voor de betrokkene als gevolg van de herziening c.q. terugvordering optreden. Met de rechtbank is de Raad niet gebleken dat daarvan in het onderhavige geval sprake is. De omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan van de onverschuldigde betaling en de omstandigheid dat de terugvordering appellant in zijn financiële situatie treft kunnen naar vaste rechtspraak van deze Raad geen rol spelen bij het aannemen van een dringende reden. Dat appellant bij het ontstaan van de schuld geen verwijt kan worden gemaakt, maakt dat niet anders. De Raad wijst er overigens op dat het Uwv met de financiële situatie van appellant rekening houdt bij de vraag of en in welke mate tot aflossing, verrekening of inning van de vordering kan worden overgegaan. De beroepsgronden ter zake vermeld in 2 treffen derhalve geen doel.

3.5. Gelet op hetgeen overwogen in 3.2.1 tot en met 3.4 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) M.A. van Amerongen.

NW