Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2011
Datum publicatie
22-08-2011
Zaaknummer
10-6830 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring bezwaar. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de brief met de gronden van het bezwaar daadwerkelijk tijdig ter post is bezorgd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de brief die de gronden van bezwaar bevat eerder ter post is bezorgd dan op de datum waarop het poststuk is afgestempeld. Zijn stelling dat de brief met de gronden niet in de envelop zaten die in kopie bij de rechtbank door het Uwv is ingebracht slaagt niet. Appellant heeft deze stelling niet onderbouwd. Daarbij komt nog dat het standpunt van appellant gelet op hetgeen door het Uwv is gesteld niet juist kan zijn en als ware dit anders ook niet tot een positief resultaat kan leiden, nu ook op de door appellant bedoelde envelop het poststempel 5 juli 2010 is vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6830 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 december 2010, 10/2285 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.H. Vermeijden.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 27 april 2010 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellant te herzien naar een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage.

2.1. Bij schrijven van 11 mei 2010 heeft de gemachtigde van appellant een (inleidend) bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 27 april 2010. Bij schrijven van 31 mei 2010 heeft het Uwv een termijn van vier weken gegeven om de gronden van het bezwaar in te dienen. Bij schrijven van 25 juni 2010, door het Uwv ontvangen op 6 juli 2010, zijn de gronden van het bezwaar ingediend.

2.2. Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden niet tijdig zijn ingediend.

3.1. Bij schrijven van 19 juli 2010 heeft appellant beroep ingesteld tegen het besluit van 6 juli 2010. Appellant heeft aangevoerd dat de gronden van het bezwaar binnen vier weken zijn ingediend.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de gronden van bezwaar tijdig heeft verzonden.

4.1. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt inhoudende dat hij de gronden van het bezwaar tijdig heeft ingediend herhaald.

4.2. Het Uwv heeft in verweer aangegeven dat enveloppen die binnenkomen op de postkamer worden voorzien van een stempel met de ontvangstdatum. De envelop met daarin de gronden van het bezwaar is binnengekomen en voorzien van een stempel op 6 juli 2010. De enveloppen worden pas opengemaakt op de afdeling alwaar de inhoud van de envelop ook wordt voorzien van een stempel met de datum van ontvangst. De envelop wordt vastgeniet aan de inhoud van de envelop. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv voorts uiteengezet dat hij heeft bezien of de stelling van appellant dat sprake is van een verwisseling met een andere procesdure juist is. Er is naar hij heeft gesteld inderdaad nog een andere procedure. Hij heeft ter zitting een kopie van de envelop waarin de gronden van het bezwaar in de andere procedure hebben gezeten, in geding gebracht. Ook op deze envelop staat als poststempel 5 juli 2010.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Niet in geschil is dat de laatste dag om de gronden van het bezwaar in te dienen 28 juni 2010 was. Verzending van de gronden van het bezwaar heeft plaatsgevonden via TNT Post. In een situatie als deze waarin het Uwv de gronden wel heeft ontvangen, maar na afloop van de daarvoor geldende termijn en waarin appellant stelt dat de brief tijdig in een brievenbus van TNT Post is gedeponeerd, is het aan appellant om dit, met het oog op de toepassing van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, aannemelijk te maken.

5.3. Indien op de envelop met het geschrift een leesbaar poststempel is geplaatst, dan geldt het bewijsrechtelijke uitgangspunt dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door TNT Post is afgestempeld. Bevat het stuk een poststempel van TNT Post met een datum van na de laatste dag van de termijn, dan moet appellant aannemelijk maken dat de brief op een eerdere datum dan het poststempel aangeeft en wel uiterlijk op de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd.

5.4. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de brief met de gronden van het bezwaar daadwerkelijk tijdig ter post is bezorgd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de brief die de gronden van bezwaar bevat eerder ter post is bezorgd dan op de datum waarop het poststuk is afgestempeld. Zijn stelling dat de brief met de gronden niet in de envelop zaten die in kopie bij de rechtbank door het Uwv is ingebracht slaagt niet. Appellant heeft deze stelling niet onderbouwd. Daarbij komt nog dat het standpunt van appellant gelet op hetgeen door het Uwv is gesteld niet juist kan zijn en als ware dit anders ook niet tot een positief resultaat kan leiden, nu ook op de door appellant bedoelde envelop het poststempel 5 juli 2010 is vermeld.

6. Gelet op 5.2 tot en met 5.5 faalt het hoger beroep van appellant, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK