Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
09-3878 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WAO-uitkering. Amber. Causaliteitseis. Psychische klachten. Volledig herstel is te onderscheiden van een situatie waarin de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid weliswaar tot een einde is gekomen omdat niet langer sprake is van uit de geconstateerde aandoening voortvloeiende wezenlijke beperkingen, maar geen volledig herstel is ingetreden van de onderliggende aandoening. Dat kan het geval zijn bij psychische aandoeningen als een depressie, indien naar medisch oordeel aannemelijk, althans zeker niet uitgesloten, is te achten dat de betrokkene in vergelijking met volledig gezonde mensen een verhoogde kans heeft op het optreden van een recidief. In dergelijke situaties ligt het, in het licht van de rechtspraak inzake het causaliteitsvereiste en de doelstelling van art. 43a WAO, niet zonder meer in de rede om – bij exacerbaties dan wel recidieven – niet uit te gaan van dezelfde oorzaak in de zin van genoemd artikel. Geen deugdelijke medische onderbouwing. Het Uwv dient met een rapportage van zijn bezwaarverzekeringsarts nader te onderbouwen waarom het verzoek van appellante om toepassing te geven aan artikel 43a van de WAO niet voor inwilliging in aanmerking komt en een besluit in de zin van dit artikel van de WAO te nemen.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/301
USZ 2011/261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3878 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 juni 2009, 08/1048 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.E. Crone, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 december 2010 heeft appellante een psychiatrische rapportage ingezonden en afschriften van een briefwisseling tussen haar medisch adviseur en de psychiater. Bij brief van 18 januari 2010 heeft het Uwv, onder verwijzing naar rapportages van zijn bezwaarverzekeringsarts, op deze stukken gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2011. Appellante en mr. Crone zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft, nadat zij haar werkzaamheden als horecamedewerkster op 25 maart 1997 had gestaakt in verband met depressieve klachten, van 24 maart 1998 tot 14 juli 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante heeft na een periode van werkloosheid hervat in werkzaamheden als onderhoudsmonteur. Zij heeft zich op 10 november 2005 ziek gemeld met klachten van griep en verkoudheid en op 28 november 2005 met klachten van depressiviteit.

1.2. Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 8 november 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Beslissend op het bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 9 juni 2008 zijn besluit van 8 oktober 2007 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 9 juni 2008 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen zorgvuldig geweest en heeft de bezwaarverzekeringsarts overtuigend uiteengezet dat de arbeidsongeschiktheid van appellante een andere oorzaak heeft dan die terzake waarvan haar eerder een WAO-uitkering werd toegekend. Genoegzaam is naar het oordeel van de rechtbank toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat zij zich binnen vijf jaar na de intrekking van de WAO-uitkering ziek heeft gemeld met een toename van psychische klachten, zodat een zogenoemde Amber-beoordeling had moeten plaatsvinden.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 43a van de WAO (een zogenoemde Amber-bepaling) vindt, zodra de arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, toekenning van een WAO-uitkering plaats aan degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid is ingetrokken en die binnen vijf jaar na de intrekking arbeidsongeschikt is geworden, als die arbeidsongeschiktheid voorkomt uit dezelfde oorzaak als die in verband waarmee de ingetrokken uitkering werd genoten.

4.2. In een uitspraak van 27 februari 2009, LJN BH4581, heeft de Raad als zijn oordeel gegeven dat er geen beletsel is om bij de beoordeling van een WIA-aanvraag te betrekken of wellicht zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 43a van de WAO, in welk geval de verzekerde aanspraak maakt op heropening van de eerder aan hem toegekende WAO-uitkering.

4.3. Volgens vaste rechtspraak (onder andere een uitspraak van de Raad van 19 december 2008, LJN BG8576) dient buiten twijfel te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere oorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. De bewijslast rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval.

4.4. Niet in geschil is dat de arbeidsongeschiktheid in verband waarmee appellante tot 2002 een WAO-uitkering heeft ontvangen zijn oorzaak had in psychische klachten. Evenmin is in geschil dat aan de in 2005 ingetreden arbeidsongeschiktheid naast lichamelijk klachten, waaronder klachten van fibromyalgie, ook opnieuw psychische klachten ten grondslag liggen.

4.5. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 10 november 2008 het standpunt betrokken dat de herhaalde aanwezigheid van psychische klachten veel te algemeen is om daaruit het bestaan van een Amber-situatie af te leiden. Omdat psychische stoornissen vaak hun oorzaak vinden in bepaalde gebeurtenissen en omstandigheden is volgens hem ook de feitelijke gebeurtenis een onderscheidende oorzaak. In zijn rapport van 17 juli 2008 heeft hij als zijn opvatting gegeven dat van betekenis is dat appellante in 1997 reageerde met een ?depressieve periode' op een complexe privésituatie en dat de uitval in 2005 gekenmerkt werd door een lichamelijk georiënteerd klachtenpatroon waarbij stress in het werk een rol speelde. De bezwaarverzekeringsarts is van mening, zo begrijpt de Raad zijn betoog, dat een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken zozeer te onderscheiden is van een aanpassingsstoornis met somatoforme kenmerken dat bij het ontstaan van arbeidsongeschiktheid sprake is van een evident andere oorzaak.

4.6. Het betoog van de bezwaarverzekeringsarts overtuigt de Raad niet. In zijn uitspraak van 20 april 2004, LJN AP0012, heeft de Raad overwogen dat volledig herstel is te onderscheiden van een situatie waarin de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid weliswaar tot een einde is gekomen omdat niet langer sprake is van uit de geconstateerde aandoening voortvloeiende wezenlijke beperkingen, maar geen volledig herstel is ingetreden van de onderliggende aandoening. Dat kan het geval zijn bij psychische aandoeningen als een depressie, indien naar medisch oordeel aannemelijk, althans zeker niet uitgesloten, is te achten dat de betrokkene in vergelijking met volledig gezonde mensen een verhoogde kans heeft op het optreden van een recidief. In dergelijke situaties ligt het, in het licht van de rechtspraak inzake het causaliteitsvereiste en de doelstelling van artikel 43a van de WAO, niet zonder meer in de rede om – bij exacerbaties dan wel recidieven – niet uit te gaan van dezelfde oorzaak in de zin van genoemd artikel. Waar ook in het geval van appellante uit de voorhanden medische gegevens blijkt dat sprake is van recidiverende depressieve perioden, is een verwijzing naar de oorzaak van het opleven van depressieve klachten dan wel een verwijzing naar de kenmerkende uiting van de aanpassingsstoornis, als aangenomen door de bezwaarverzekeringsarts, niet toereikend om buiten twijfel te stellen dat de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak. Daarbij is naar het oordeel van de Raad niet zonder betekenis dat bij een op verzoek van het Uwv in 2010 verrichte psychiatrische expertise een chronische posttraumatische stressstoornis is gediagnosticeerd gerelateerd aan gebeurtenissen waarvan het Uwv al in 1997 met een brief van de toen behandelend psychiater op de hoogte werd gebracht.

5.1. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het besluit van 9 juni 2008 een deugdelijke medische onderbouwing mist en daarom niet in stand kan blijven.

5.2. Teneinde te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht te geven het gebrek in het besluit van 9 juni 2008 te herstellen. Het Uwv dient met een rapportage van zijn bezwaarverzekeringsarts, waarin wordt betrokken de in rubriek I van deze uitspraak genoemde psychiatrische rapportage, nader te onderbouwen waarom het verzoek van appellante om toepassing te geven aan artikel 43a van de WAO niet voor inwilliging in aanmerking komt en een besluit in de zin van dit artikel van de WAO te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nader besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

EK