Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
09/4170 WAZ + 11/2069 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na intrekking WAZ-uitkering, alsnog WAZ-uitkering ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Onrechtmatig besluit. Afwijzing verzoek om materiële en immateriële schadevergoeding. Vertragingsschade. Daargelaten wat er van het standpunt van appellant zij dat hij zichzelf heeft bijgestaan, is van door een derde verleende rechtsbijstand geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4170 WAZ en 11/2069 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2009, 08/260 WAZ (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2010. Appellant is verschenen en het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend.

Prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, heeft op verzoek van de Raad een onderzoek ingesteld en op 19 november 2010 omtrent appellant gerapporteerd. Hij heeft zijn rapportage naar aanleiding van vragen van de zijde van het Uwv toegelicht.

Op 3 maart 2011 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Op 16 juni 2011 heeft het Uwv een besluit genomen tot betaling van wettelijke rente aan appellant.

Onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 8 juli 2011. Appellant is verschenen en het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J. Dijkstra.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 7 december 2007 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit de uitkering van appellant op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) per 18 september 2007 in te trekken.

2.1. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het door appellant tegen het besluit van 7 december 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 december 2007 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.2. Naar het oordeel van de rechtbank trof de beroepsgrond van appellant dat het besluit van 7 december 2007 strijdt met het discriminatieverbod neergelegd in artikel 1 van de Grondwet en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen doel.

2.3. Vernietiging van het besluit van 7 december 2007 heeft – kort samengevat – plaatsgevonden op grond van de overweging dat het Uwv in de omstandigheden van dit geval aanleiding had behoren te vinden zich te doen voorlichten door een deskundige op het gebied van de psychiatrie.

3.1. Appellant en het Uwv hebben hoger beroep ingesteld.

3.2. Het Uwv heeft de reden van vernietiging weergegeven in 2.3 bestreden.

3.3. Appellant heeft bestreden het oordeel van de rechtbank als weergegeven in 2.2. Appellant heeft voorts verzocht het Uwv te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.

4.1. De Raad heeft in hetgeen in beroep en in hoger beroep is aangevoerd aanleiding gevonden prof. dr. Koerselman een onderzoek te laten instellen. Prof. dr. Koerselman is tot de opvatting gekomen dat appellant duurzaam ongeschikt is om structureel binnen de gebruikelijke arbeidsverhoudingen te functioneren. Na een nadere toelichting van dit standpunt heeft het Uwv de deskundige in zijn opvatting gevolgd en bij besluit van 3 maart 2011 de WAZ-uitkering van appellant per 18 september 2007 ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

4.2. Het Uwv heeft het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak bij brief van 3 maart 2011 ingetrokken.

4.3. Appellant heeft bij brief van 31 maart 2011meegedeeld dat ondanks dat het Uwv het hoger beroep heeft ingetrokken hij zijn hoger beroep als omschreven in 3.3 handhaaft.

Appellant heeft voorts verzocht het Uwv te veroordelen in de door hem geleden materiële en immateriële schade.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 7 december 2007 onrechtmatig is. De aangevallen uitspraak die strekt tot vernietiging van dit besluit dient mitsdien – zij het op andere gronden – te worden bevestigd.

5.3. Voor een oordeel van de Raad over de beroepsgrond van appellant bedoeld in 2.2 is geen plaats. Het beroep en hoger beroep van appellant heeft ertoe geleid dat zijn WAZ-uitkering naar de hoogste klasse van arbeidsongeschiktheid is voortgezet. Meer dan dat kan appellant niet bereiken. Enig belang bij een oordeel over deze beroepsgrond heeft appellant mitsdien niet.

5.4. Voor inwilliging van het verzoek van appellant om schadevergoeding omdat hij – kort samengevat - door onrechtmatige besluitvorming van het Uwv is gehinderd bij het opzetten van bedrijfsmatige activiteiten en dat hij als gevolg daarvan inkomsten heeft gederfd, ziet de Raad geen aanleiding. Nog daargelaten dat dit standpunt zich niet goed verhoudt met de door appellant onderschreven opvatting van de deskundige dat hij duurzaam ongeschikt is om structureel binnen gebruikelijke arbeidsverhoudingen te functioneren en zich evenmin goed verhoudt met het door appellant ingenomen standpunt dat hij recht heeft op een WAZ-uitkering omdat hij volledig arbeidsongeschikt is, stuit inwilliging van het verzoek van appellant af op de omstandigheden dat hij op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden en dat de door hem gestelde schade in enig verband staat met het besluit van 7 december 2007.

Met hetgeen appellant heeft gesteld omtrent de mogelijkheden die hij ziet een succesvol re-integratiebedrijf op te starten en de wijze waarop door het Uwv commerciële re-integratiebedrijven worden bevoordeeld heeft hij deze inzichtelijkheid niet geboden.

5.5. Voor inwilliging van het verzoek om vergoeding van immateriële schade ziet de Raad evenmin aanleiding. Voor vergoeding van immateriële schade is naar vaste rechtspraak eerst plaats indien sprake is van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op een ander persoonlijkheidsrecht. Een meer of minder sterk psychisch onbehagen en een zich gekwetst voelen is onvoldoende voor vergoeding van immateriële schade.

Uit hetgeen appellant heeft gesteld omtrent de wijze waarop hij het besluit van 7 december 2007 heeft ondergaan leidt de Raad af dat appellant stress heeft ervaren en zich onbehaaglijk en gekwetst heeft gevoeld. Dit is echter onvoldoende voor het oordeel dat appellant zodanig heeft geleden dat sprake was van geestelijk leed dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Ook de rapportage van de deskundige biedt geen aanknopingspunten voor de aanwezigheid van geestelijk leed als vorenbedoeld.

5.6. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.5 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

6.1. Tegen het besluit van 3 maart 2011 heeft appellant aangevoerd dat dit besluit ten onrechte geen beslissing behelst omtrent zijn verzoek om schadevergoeding.

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het Uwv vertragingsschade aan appellant toegekend, in verband met de door het Uwv gedane nabetalingen in verband met het besluit van 3 maart 2011.

6.2. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat zijn schade als gevolg van het besluit van 3 maart 2011 hoger is dan toegekend bij het besluit van 16 juni 2011.

Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek normeert de omvang en de duur van de schadevergoedingsverplichting wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Deze bestaat uit de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Deze schade is naar door appellant niet is bestreden toegekend.

Voor vergoeding van andere schade als gevolg van vertraging dan hiervoor is beschreven, biedt de wet geen ruimte.

6.3. De beroepen die geacht worden te zijn gericht tegen de besluiten van 3 maart 2011 en 16 juni 2011 zijn gelet op hetgeen is overwogen in 6.1 en 6.2 ongegrond.

7. Voor inwilliging van het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant heeft moeten maken in het kader van het beroep tegen het besluit van 7 december 2007, het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak en de beroepen tegen de besluiten van 3 maart 2011 en 16 juni 2011, is geen plaats.

Dit reeds omdat het standpunt van appellant dat hij recht heeft op een vergoeding van deze kosten omdat hij zichzelf heeft bijgestaan afstuit op artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daargelaten wat er van het standpunt van appellant zij dat hij zichzelf heeft bijgestaan, is van door een derde verleende rechtsbijstand geen sprake.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen de besluiten van 3 maart 2011 en 16 juni 2011 ongegrond;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV