Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
10-2987 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts en de op basis daarvan vastgestelde beperkingen. Op afdoende wijze gemotiveerd waarom appellante met de voor haar in acht te nemen beperkingen geschikt te achten is voor haar eigen maatmanfunctie van administratief medewerkster gedurende 24 uur per week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2987 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 april 2010, 09/0744 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J. Verhagen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. In verband met vertrek van mr. Verhagen heeft mr. A.M. Slierendrecht, kantoorgenoot, zich nadien als advocaat-gemachtigde gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2011. Appellante was verschenen bijgestaan door haar gemachtigde mr. Slierendrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster gedurende 24 uur per week bij de gemeente Baarn. Op 24 oktober 2006 is zij uitgevallen ten gevolge van een posttraumatische stressstoornis, depressie en vermoeidheidsklachten. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2008 geweigerd aan appellante per 21 oktober 2008 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per einde wachttijd is vastgesteld op minder dan 35%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 februari 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is appellante geschikt geacht voor haar eigen maatgevende arbeid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven waarbij zij betekenis heeft toegekend aan de bevindingen en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in haar rapportage van 27 januari 2009. Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de beoordeling heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv met de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 februari 2009 en de rapportage van de arbeidsdeskundige van 3 oktober 2008 een voldoende duidelijk beeld heeft gegeven van het eigen werk van appellante en genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de maatgevende functie van appellante in overeenstemming is met de voor haar per 21 oktober 2008 vastgestelde beperkingen.

3. In hoger beroep stelt appellante zich - evenals in beroep - op het standpunt dat het Uwv haar medische klachten op onzorgvuldige wijze heeft vastgesteld, althans onvoldoende heeft meegewogen.

Appellante wijst daarbij op haar medicijngebruik en de bijwerkingen daarvan en voorts op de bij haar bestaande hoofdpijnklachten en pijn in nek en schouder; verder is zij van mening dat haar psychische klachten niet voldoende zijn onderkend. Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat de bezwaarverzekeringsarts informatie had op moeten vragen bij de behandelend longarts die de diagnose chronische eosinofiele pneumonie heeft vastgesteld. Ter ondersteuning daarvan heeft appellante een brief van longarts R.C. Schweitzer overgelegd van 17 december 2009 en een overzicht van de door haar gebruikte medicatie. Tevens heeft appellante een verklaring van haar huisarts Hulshoff van 24 juni 2011 overgelegd. Daaruit zou blijken dat er door de combinatie van de medicijnen sprake is van een energetische beperking en dat in de periode rond de datum in geding sprake was van bedlegerigheid.

Appellante acht zich met deze klachten dan ook niet in staat haar maatgevende arbeid te verrichten.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Appellante is primair onderzocht door een arts die tevens beschikte over informatie van haar behandelend psychologen van Altrecht. De bezwaarverzekeringsarts was aanwezig op de hoorzitting, heeft het dossier bestudeerd en heeft naar aanleiding van het bezwaar de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen aangepast in verband met de luchtwegproblematiek van appellante en voor het overige de door de primaire arts aangenomen beperkingen bevestigd. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de aldus vastgestelde beperkingen neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 27 januari 2009. Tevens hadden de verzekeringsartsen voldoende informatie ter beschikking.

Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde informatie van de longarts Schweizer en de huisarts van 24 juni 2011 onderschrijft de Raad in dit verband de reactie van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 28 juni 2011. Deze heeft daarin aangegeven dat uit de informatie van de huisarts blijkt dat de diagnose astma is verworpen. Er is verder sprake van een goed behandelbare bronchiale hyperactiviteit welke - blijkens de informatie van de longarts - de vorm aanneemt van chronische esosinofiele pneumonie. De bezwaarverzekeringsarts wijst er in dit verband op dat uit de informatie van de longarts blijkt dat er anamnestisch sprake is van een luchtwegreactie op aspecifieke prikkels en dat daarmee in de FML rekening is gehouden op de beoordelingspunten hitte, koude, tocht, stof, rook, gas en dampen en dat er een verhoogde vatbaarheid voor infecties is aangenomen. Uit de informatie blijkt verder dat de longfunctie normaal is met adequate medicatie. Er is geen sprake van een zodanig afgenomen longfunctie dat dit aanleiding geeft tot een ernstig energetisch gebrek. De bezwaarverzekeringsarts ziet dan ook geen aanleiding om appellante op op basis van de informatie van de longarts meer beperkt te achten.

Met betrekking tot de pijnklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat er een organisch substraat voor ontbreekt en dat er bij lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts geen afwijkingen zijn gevonden, verder zijn er reeds beperkingen aangenomen voor zware fysieke arbeid.

Met betrekking tot het medicijngebruik en de gestelde bijwerkingen heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 28 juni 2011 aangegeven dat de bezwaarverzekeringsarts op 27 januari 2009 geen ernstige bijwerkingen heeft kunnen vaststellen, evenmin waren er waarneembare concentratiestoornissen. Er zijn naar het oordeel van de Raad, onvoldoende medische gegevens die er evident op wijzen, dat appellante de in aanmerking te nemen arbeid – licht administratief werk – in verband met het gecombineerde medicijngebruik niet zou kunnen verrichten. Zulks geldt ook voor haar psychische klachten, deze zijn meegenomen in de FML, en niet zo ernstig dat zij daardoor ongeschikt is voor de hiervoor bedoelde arbeid.

De Raad heeft, de medische gegevens in het dossier overziende, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts en de op basis daarvan vastgestelde beperkingen.

4.3. De Raad is voorts van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 4 februari 2009 op afdoende wijze heeft gemotiveerd waarom appellante met de voor haar in acht te nemen beperkingen geschikt te achten is voor haar eigen maatmanfunctie van administratief medewerkster gedurende 24 uur per week. Met de geschiktheid voor dit eigen werk is tevens gegeven dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Het Uwv heeft dan ook terecht geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) T. Dolderman.

RK