Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5254

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
10-3189 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ZW-uitkering. Geschiktheid voor “zijn arbeid” als klassenassistent voor 32 uur per week. Zorgvuldig onderzoek. Bezwaararts had een voldoende duidelijk beeld van de aard en zwaarte van de functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3189 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2010, 09/4307 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. R.C. Eggink, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2011. Appellante en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was tot 1 januari 2008 werkzaam als klassenassistent voor 32 uur per week. Op 20 augustus 2008 heeft zij zich vanuit de situatie waarin zij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld met aanhoudende buikklachten en een navelbreuk. In verband hiermee is appellante meerdere malen op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, voor het laatst op 5 oktober 2009. De verzekeringsarts heeft appellante daarbij na eigen onderzoek en met inachtneming van in dossier aanwezige informatie van 23 december 2008 van chirurg prof. dr. J.F. Lange per 8 oktober 2009 hersteld geacht voor haar eigen werk van klassenassistent. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 8 oktober 2009 appellante medegedeeld dat zij met ingang van die datum geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 17 november 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 oktober 2009 - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts van 9 november 2009 - ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kon dragen. Daarbij heeft de rechtbank met name betekenis toegekend aan de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 9 november 2009 en de in beroep opgemaakte rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 10 februari 2010 waarin wordt ingegaan op het naar aanleiding van het beroep uitgevoerde arbeidskundige onderzoek naar de specifieke belasting in de functie van klassenassistent. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante geen medische stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij per 8 oktober 2009 niet in staat zou zijn tot het verrichten van haar arbeid als klassenassistent.

3. In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt dat zij haar eigen werk niet kan doen. Zij stelt dat ze niet zwaarder dan 10 kg dient te tillen, en verwijst daarvoor naar een brief van chirurg Lange voornoemd van 12 januari 2010. Verder geeft zij aan dat de recidiefkans 30% is en dat derhalve re-integratie met grote voorzichtigheid dient te worden gestart. Appellante stelt zich voorts op het standpunt dat ten onrechte is nagelaten informatie op te vragen bij de chirurg van appellante. Verder is zij van mening dat het besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen is doordat pas na het instellen van het beroep een onderzoek is gedaan naar de functiebelasting. Appellante geeft in dit verband nog aan dat indien een kind geholpen moet worden dit een overschrijding van de belastbaarheid van appellante met zich mee kan brengen nu zij niet meer dan 10 kg mag tillen. Verder horen er schoonmaakwerkzaamheden bij de functie terwijl appellante daarvoor thuis hulp toegekend heeft gekregen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. In dit geval is dat het eigen werk van klassenassistent voor 32 uur per week.

4.3. De Raad overweegt in dit verband op de eerste plaats dat - anders dan appellante stelt - ten tijde van het bestreden besluit afdoende informatie over het werk van klassenassistente in het dossier aanwezig was en dat in dit verband van onzorgvuldig onderzoek geen sprake is geweest. De Raad wijst daarbij met name op hetgeen daaromtrent door appellante zelf tijdens de hoorzitting is vermeld en de reeds in het dossier aanwezige informatie over het eigen werk. De Raad is niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts geen voldoende duidelijk beeld had van de aard en zwaarte van de functie en dat dit afweek van hetgeen appellante daarover zelf heeft verteld. Onder deze omstandigheden heeft het Uwv dan ook van deze gegevens uit mogen gaan. Het door de arbeidskundige in beroep op 8 februari 2010 uitgevoerde onderzoek heeft in vergelijking met hetgeen appellante zelf heeft vermeld overigens vooral een aanvullend karakter.

4.4. De Raad ziet ook overigens in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 9 november 2009 heeft deze het dossier bestudeerd en appellante gehoord op de hoorzitting. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij aangegeven dat appellante werkte als klassenassistent waarbij zij fysiek licht werk had (zittend afgewisseld met lopen). De bezwaarverzekeringsarts heeft uiteengezet dat het bij appellante om een grote breuk ging waarbij een maximale hersteltermijn van 8 weken aan de orde is en in acht is genomen. Van een gecompliceerd beloop bij appellante is niet gebleken. Zij mag daarom na deze termijn van 8 weken de buik weer belasten. Het eigen werk van appellante bevat geen zwaar belastende momenten waarbij het regelmatig bewegen in het eigen werk een positief effect zal hebben. Rekening houdend met de klachten van appellante moet belasting volgens de bezwaarverzekeringsarts in de eigen functie mogelijk zijn. De Raad ziet geen aanleiding de juistheid van deze conclusie in twijfel te trekken. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde informatie van de chirurg van 12 januari 2010 onderschrijft de Raad in dit verband het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 29 juli 2010, welke mede is gebaseerd op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 27 juli 2010. De bezwaarverzekeringsarts wijst erop dat uit de informatie van de chirurg van 12 januari 2010 niet blijkt van een verbod op het tillen van gewichten van meer dan 10 kg, maar is het wel eens met de aanbeveling van de chirurg dat het tillen van gewichten van meer dan 10 kg vermeden moet worden. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens aangegeven dat het werk van klassenassistent bestaat uit het ondersteunen van de leerkracht bij de leertaken, het tillen van kinderen is daarbij geen essentieel onderdeel van de functie. Voorts is de verantwoordelijke leerkracht aanwezig om verdere sturing te geven of te ondersteunen bij eventueel zwaarder werk. De grens van 10 kg hoeft dan ook niet te worden overschreden. De Raad onderschrijft voorts het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat er gezien de aandoening en de reeds aanwezige informatie in het dossier geen aanleiding was om nadere gegevens op te vragen bij de behandelaar.

Met betrekking tot de schoonmaakwerkzaamheden heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 27 juli 2010 uiteengezet dat iedere school beschikt over werknemers die na schooltijd zorg dragen voor de zware, arbeidsintensieve schoonmaakwerkzaamheden in de school. Van de klassenassistente mag verwacht worden dat er lichte werkzaamheden plaatsvinden in het lokaal waarbij geen gebruik gemaakt zal worden van emmers met water en dergelijke, wat opvegen en licht opruimwerk behoort tot de mogelijkheden. De functie is daarmee passend voor appellante. De Raad ziet in hetgeen appellante hieromtrent heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan dit standpunt.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) T. Dolderman.

RK