Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
10-6962 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering.Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Zorgvuldig medische onderzoek. Gelet op de aanwezige medische gegevens is naar het oordeel van de Raad het Uwv met de in de FML opgenomen beperkingen in voldoende mate aan de voor appellante geldende mogelijkheden tegemoet gekomen. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de (resterende) functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse arbeidskundige rapporten is ook de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken motivering is gegeven van de geschiktheid van appellante om de geselecteerde functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6962 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 12 november 2010, 09/842 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Winia, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 21 juli 2008 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk berekend was naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 september 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt is te achten tot het verrichten van werkzaamheden in passende functies.

1.2. Naar aanleiding van het bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan de medische grondslag heroverwogen en van haar bevindingen verslag gedaan in het rapport van 5 mei 2009. Daarbij heeft zij betrokken de van appellante verkregen informatie van 3 november 2008 van de behandelend psychotherapeut drs. J.P. Huijg. Aan de hand van de Standaard Verminderde Arbeidsduur heeft Kleinjan uiteengezet dat er geen grond is voor een urenbeperking. Voorwaarde is wel, dat de belasting van de geduide werkzaamheden binnen de grenzen van de FML valt. Met betrekking tot de ziekte van Sjögren heeft zij opgemerkt dat er in het dossier geen aanwijzingen zijn dat deze aandoening alsnog medisch is geobjectiveerd. Kleinjan acht voorts de in de FML gestelde beperkingen niet onderschat. Dat sprake is van depersonalisatieverschijnselen is geen nieuw gegeven. De depersonalisatie- en derealisatiemomenten worden uitgelokt door stress en spanningen. Daarvoor zijn beperkingen opgenomen. Daarnaast zijn buitenwerkzaamheden alsook vervoersfuncties niet geschikt geacht. Claustrofobie en straatvrees zijn niet in die mate aanwezig dat een absolute vermijding bij appellante plaatsvindt. Wel dienen de te duiden functies te worden beoordeeld op angst-provocerende aspecten, zodat overbelasting vermeden wordt. Door middel van, de gestelde fysieke beperkingen heeft de primaire arts ruim voldoende rekening gehouden met de geobjectiveerde lichamelijke problematiek. Verder bevatten de stukken geen aanwijzingen voor allergische problematiek. Kleinjan komt tot de conclusie dat heroverweging in bezwaar, bij het ontbreken van objectief medische argumenten daartoe, niet heeft geleid tot wijziging van de FML.

1.3. Met verwijzing naar onder meer het rapport van 5 mei 2009 van Kleinjan heeft het Uwv het bezwaar van appellante bij het besluit van 5 juni 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van bezwaarverzekeringsarts Kleinjan, die in haar rapporten blijk heeft gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat appellante meer beperkingen heeft dan door het Uwv is vastgesteld. Kleinjan heeft in haar rapporten van 14 juli 2009 en 13 augustus 2009 gemotiveerd gereageerd op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd. Zij heeft daarbij de FML gehandhaafd. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het oordeel dat de (resterende) aan appellante voorgehouden functies binnen haar mogelijkheden liggen. De nadere vaststelling van het maatmaninkomen op een lager bedrag leidt niet tot wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom geen sprake van schending van het verbod van reformatio in peius.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar ook bij de rechtbank ingenomen standpunt gehandhaafd dat zij meer beperkingen heeft is dan door het Uwv is aangenomen. Dientengevolge zijn ook de geduide functies niet passend. Tot slot kan zij zich niet verenigen met de nadere vaststelling van het maatmaninkomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De conclusie van bezwaarverzekeringsarts Kleinjan dat er geen aanleiding is tot wijziging van de FML is voldoende onderbouwd. Evenmin als de rechtbank is de Raad op grond van de door appellante in bezwaar en beroep overgelegde inlichtingen van haar behandelaar drs. Huijg tot de overtuiging kunnen komen dat appellante op de hier in geding zijnde datum meer of anders beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld in de FML. In dat verband merkt de Raad op dat Kleinjan niet ontkent dat appellante klachten heeft, waaronder ook serieuze klachten van psychische aard, maar dat Kleinjan van oordeel is dat appellante ondanks haar klachten en rekening houdend met de gestelde beperkingen functionele mogelijkheden heeft. Gelet op de aanwezige medische gegevens is naar het oordeel van de Raad het Uwv met de in de FML opgenomen beperkingen in voldoende mate aan de voor appellante geldende mogelijkheden tegemoet gekomen.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de (resterende) functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse arbeidskundige rapporten is ook de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken motivering is gegeven van de geschiktheid van appellante om de geselecteerde functies te vervullen.

4.3. De Raad heeft voorts geen twijfel aan de juistheid van de nadere vaststelling van het maatmaninkomen, zoals uiteengezet door bezwaararbeidsdeskundige M. Kokenberg-van Loon in haar rapport van 21 september 2009. De Raad gaat voorbij aan de enkele, niet nader onderbouwde betwisting van appellante van de juistheid van deze vaststelling.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL