Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
10-5807 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5807 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 september 2010, 10/1623 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Bakker, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 6 juli 2011, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich op 24 mei 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet arbeidsongeschikt gemeld wegens lichamelijke en psychische klachten.

1.2. Het beroep van appellante richtte zich tegen het besluit van 9 april 2010 (hierna: bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 15 juli 2009, strekkende tot de vaststelling dat voor appellante geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 21 mei 2009 is ontstaan omdat het verlies van verdiencapaciteit is berekend op minder dan 35%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de functies op enkele punten en ook gezien de totaalbelasting, niet geschikt zijn.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Appellante is op 4 maart 2009 onderzocht door een verzekeringsarts, die naar aanleiding van zijn bevindingen beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen, welke beperkingen zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst. In bezwaar heeft appellante informatie ingebracht van reumatoloog prof. dr. P.L.C.M. van Riel en van internist dr. C. Kramers. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante onderzocht en heeft informatie opgevraagd bij de huisarts van appellante. In haar rapport van 23 maart 2010 concludeert de bezwaarverzekeringsarts dat er geen medische argumenten zijn om van het oordeel van de verzekeringsarts af te wijken. Evenals de rechtbank heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om de door de verzekeringsartsen ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. De beschikbare medische gegevens bieden geen steun voor de opvatting van appellante dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De Raad wijst erop dat in dit geding de situatie op 21 mei 2009 ter beoordeling voorligt. Met een verslechtering in de gezondheidstoestand na die datum, zoals door appellante gemeld in een schrijven van 5 juli 2011, kan in dit geding geen rekening worden gehouden. De Raad ziet dan ook geen aanleiding een deskundige te benoemen.

4.2. Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante heeft de Raad, evenmin als de rechtbank, reden gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de aan appellante geduide functies in medisch opzicht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de schatting gebaseerd op de functies productiemedewerker metaal-elektro industrie, sbc-code 111171, productiemedewerker industrie, sbc-code 111180 en productiemedewerker textiel, sbc-code 272043. De Raad is van oordeel dat de signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportages van 31 maart 2010 en 14 mei 2010 genoegzaam zijn toegelicht. De Raad merkt op dat uit het Resultaat functiebeoordeling niet blijkt dat de functie productiemedewerker metaal-elektro industrie op het item ‘staan tijdens het werk’ een gedwongen eenzijdige beenbelasting kent. Ten aanzien van de functie productiemedewerker textiel heeft de bezwaararbeidsdeskundige, na overleg met de verzekeringsarts, aangegeven dat in deze functie slechts in geringe mate stof van synthetische vezel en wol voorkomt, hetgeen niet als belemmerend kan worden beschouwd.

4.3. Ook naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in voldoende mate rekening gehouden met de beperkingen van appellante en is er binnen de afzonderlijke voor appellante geschikt geachte functies op geen van de punten sprake van overschrijding van de belastbaarheid van appellante. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 10 april 2009, LJN BI1145, kan in zo’n geval van een overschrijding van de totaalbelasting van appellante binnen de geduide functies geen sprake zijn.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) T. Dolderman.

KR