Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
09-4888 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Vermogen boven de geldende vermogensgrens. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 8 maart 2011, LJN BP8107, de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij in weerwil van de tenaamstelling van de woning in de periode in geding daarover niet redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. Appellante heeft geen mededeling gedaan aan het College van de tenaamstelling van de woning, terwijl dit gegeven wel van belang is voor het recht op bijstand. Dat appellante niet wist of redelijkerwijs kon weten dat de woning op haar naam stond, komt de Raad onaannemelijk voor, nu voor die tenaamstelling op enigerleiwijze de medewerking van appellante nodig was. Hieruit volgt dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu er van uit moet worden gegaan dat appellante over de volledige waarde van de woning kon beschikken, is er sprake van een forse overschrijding van het vrij te laten vermogen. Naar het oordeel van de Raad is er dan minder snel sprake van een onevenredigheid als onder 4.6.2 bedoeld, bijvoorbeeld in het licht van de periode die appellante, interende op dit vermogen, in haar levensonderhoud had kunnen voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4888 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2009, 08/3336 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Berkouwer, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Berkhouwer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Calmera, werkzaam bij de gemeente Vlaardingen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 9 oktober 2002 bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante een woning in Marokko bezit, heeft het Internationaal Bureau Fraude-informatie (hierna: IBF) op verzoek van het College een onderzoek ingesteld. Het IBF heeft het College geïnformeerd over de resultaten van een onderzoek dat de Nederlandse ambassade in Marokko heeft uitgevoerd. De ambassade heeft op 28 september 2007 een rapport - met bijlagen - uitgebracht met daarin de conclusie dat appellante eigenaar is van een woning met een oppervlakte van 64 m², de grondtitel [nummer] en het adres [adres], [district], Casablanca, waarvan de actuele waarde door een taxateur is vastgesteld op (omgerekend) ongeveer € 45.000,--. Naar aanleiding hiervan heeft de afdeling Sociale Recherche van de Dienst Welzijn van de gemeente Vlaardingen appellante op 29 januari 2008 als verdachte verhoord. Appellante heeft verklaard niet te weten dat de woning op haar naam staat, waardoor zij dit niet aan het College kon doorgeven. Voorts heeft zij verklaard dat de woning niet van haar is en dat de woning gebruikt wordt door vier van haar broers.

1.3. Bij besluit van 26 maart 2008 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 9 oktober 2002 tot en met 31 januari 2008 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode van appellante met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB en artikel 4 sub a van de Beleidsregels terugvordering WWB teruggevorderd tot een bedrag van € 77.609,89. Dit besluit berust op de grond dat appellante gedurende de gehele periode heeft beschikt of kon beschikken over meer vermogen dan de voor haar geldende vermogensgrens.

1.4. Bij besluit van 23 juli 2008 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 26 maart 2008 onder aanpassing van de motivering ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de waarde van de woning op 9 oktober 2002 niet kan worden vastgesteld en dat daarom het recht op bijstand van appellante over de periode vanaf die datum tot en met 31 januari 2008 niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 23 juli 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en - voor zover hier van belang - de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten wat betreft de intrekking en terugvordering. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de woning aan appellante toebehoorde, maar dat nu de woning op 17 september 2007 is getaxeerd, het College niet kan volhouden dat het recht op bijstand over de gehele periode niet kan worden vastgesteld. Omdat vastgesteld is en appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat die waarde niet aan haar kan worden toegerekend, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in zoverre in stand gelaten.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft zich opnieuw op het standpunt gesteld dat de woning haar niet (geheel) toebehoorde. Verder heeft zij aangevoerd dat het College in een geval als dit niet meer mag terugvorderen dan (het aandeel in) de waarde van de woning, verminderd met bescheiden vrij te laten vermogen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 8 maart 2011, LJN BP8107, de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.2. Appellante heeft aanvankelijk verklaard dat zij niet wist dat de woning op haar naam stond. Vervolgens heeft zij met een verklaring van de belastingdienst in Marokko en het kadaster betwist dat zij onroerend goed bezit in Marokko. Nadien heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de woning door haar broer was gekocht met geld dat hij van zijn vader had geleend en dat die broer de woning buiten haar medeweten op de naam van appellante had gesteld om de woning buiten het bereik te houden van de aanspraken van zijn echtgenote op de helft van de woning, terwijl die woning inmiddels op naam van de drie dochters van appellante is gesteld. Ten slotte heeft zij gesteld dat de woning eerst aan haar ouders toebehoorde en dat zij slechts als mede-erfgename tot één-zesde van de woning gerechtigd is.

4.3. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante met het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat zij in weerwil van de tenaamstelling van de woning in de periode in geding daarover niet redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. De verklaringen van de belastingdienst en het kadaster in Marokko zien niet op de periode in geding. De verklaring van de broer is op geen enkele wijze objectief onderbouwd en is gedeeltelijk in strijd met de aanvankelijke verklaring van appellante. Datzelfde geldt voor de stelling van appellante dat zij slechts gerechtigd was tot één-zesde van de woning. Er moet daarom vanuit worden gegaan dat overeenkomstig de inschrijving in het kadaster appellante als enige gerechtigd was tot de woning.

4.4. Appellante heeft geen mededeling gedaan aan het College van de tenaamstelling van de woning, terwijl dit gegeven wel van belang is voor het recht op bijstand. Dat appellante niet wist of redelijkerwijs kon weten dat de woning op haar naam stond, komt de Raad onaannemelijk voor, nu voor die tenaamstelling op enigerleiwijze de medewerking van appellante nodig was. Hieruit volgt dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de waarde van de woning in de periode in geding steeds heeft gelegen boven de grens van het vrij te laten vermogen en dat het aan appellante is om aannemelijk te maken dat er recht op bijstand was in de desbetreffende periode. Appellante heeft dit oordeel van de rechtbank niet bestreden. Appellante heeft voorts geen documenten overgelegd op basis waarvan de waarde van het onroerend goed ten tijde van de aanvraag van de bijstand en de eventuele waardestijging of –daling in de in geding zijnde periode kan worden vastgesteld. Het College was dan ook bevoegd de bijstand van appellante over de gehele periode in geding in te trekken met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. De wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt is door appellante niet bestreden. Daarom was het College bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de in de periode in geding verleende bijstand van appellante terug te vorderen.

4.6. Omtrent het betoog van appellante, dat het College niet meer mag terugvorderen dan de waarde van de woning, verminderd met het bescheiden vrij te laten vermogen, overweegt de Raad als volgt.

4.6.1. De Raad maakt uit de door het College overgelegde Beleidsregels terugvordering en het verhandelde ter zitting op dat het College in het kader van de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB ten aanzien van terugvordering het beleid hanteert dat in alle gevallen wordt teruggevorderd, tenzij er sprake is van dringende redenen. Het College heeft bij vermogen boven de toepasselijke vrijlatingsgrens geen specifiek beleid ontwikkeld of geformuleerd. Ter zitting heeft het College verklaard dat in dergelijke gevallen wel de hierna in 4.7.2 te noemen uitspraak wordt toegepast.

4.6.2. De Raad heeft in zijn uitspraak van 21 april 2009, LJN BH9423, overwogen dat hantering van een dergelijk door het College gevoerd terugvorderingsbeleid bij vermogen boven de vrijlatingsgrens tot uitkomsten kan leiden die voor de betrokkene(n) onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk met dat beleid wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van inlichtingenverzuim of van het niet of niet juist verwerken van eerder wel verstrekte gegevens. Daarvan zal in situaties van inlichtingenverzuim sprake zijn indien de betrokkene aannemelijk maakt dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door hem voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest.

4.6.3. Het College heeft ter zitting aangevoerd dat een dergelijke situatie zich hier niet voordoet, nu het niet gaat om een geringe vermogensoverschrijding en appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in (een gedeelte van) de periode in geding wel recht op bijstand had gehad indien zij bij aanvang van de bijstandsverlening het College op de hoogte had gesteld van het feit dat de woning op haar naam stond.

4.6.4. Nu er van uit moet worden gegaan dat appellante over de volledige waarde van de woning kon beschikken, is er sprake van een forse overschrijding van het vrij te laten vermogen. Naar het oordeel van de Raad is er dan minder snel sprake van een onevenredigheid als onder 4.6.2 bedoeld, bijvoorbeeld in het licht van de periode die appellante, interende op dit vermogen, in haar levensonderhoud had kunnen voorzien.

4.6.5. De Raad merkt voorts op dat het onderhavige geval feitelijk sterk verschilt van het geval beoordeeld in de onder 4.6.2 genoemde uitspraak. Daar immers bestond de vermogensoverschrijding uit een beperkt te hoog tegoed op een bankrekening, dat, indien tijdig gemeld aan het College, slechts gedurende korte tijd tot levensonderhoud zou kunnen dienen, en, in verhouding tot de hele periode in geschil in die zaak, al weer na korte tijd tot bijstandsverlening zou leiden, terwijl één en ander precies en objectief aan de hand van bankafschriften kon worden gereconstrueerd. In dit verband wijst de Raad op zijn uitspraak van 24 mei 2011, LJN BQ6545, voor een geval waarin een dergelijke reconstructie wegens voortbestaande onduidelijkheden niet mogelijk was.

4.6.6. In het onderhavige geval betreft de vermogensoverschrijding de waarde van een in het buitenland gelegen onroerend goed. Appellante heeft, gelet op haar stellingname in hoger beroep, tot nu toe geen helderheid verschaft over de precieze gang van zaken rond de verkrijging en de vervreemding van deze woning, de eigendomsituatie, het gebruik door en de rechten van de familie op de woning, noch van de geldstromen die met het gebruik, het beheer en het onderhoud van een woning als deze samengaan. Het College heeft ter zitting desgevraagd verklaard, dat, indien de thans verschafte gegevens bij aanvang van de bijstand zouden zijn verstrekt, (de omvang van) het recht op bijstand op die datum niet of slechts met moeite en na nader onderzoek en met nadere inlichtingen van appellante zou kunnen worden vastgesteld.

4.6.7. De Raad is op grond van het voorgaande met het College van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat, indien zij haar inlichtingenverplichting niet geschonden zou hebben, haar recht op (aanvullende) bijstand vastgesteld zou kunnen worden. Dit leidt tot de conclusie dat het College niet van (een deel van) de terugvordering behoefde af te zien vanwege een onevenredigheid als onder 4.6.2 bedoeld. Daarmee faalt dit betoog van appellante.

4.7. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R. Scheffer.

HD