Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
09/4090 WWB + 09/4850 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering. Niet voldaan aan verplichtingen om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Geen omstandigheden die een matiging van de verlaging van 100% rechtvaardigen. Dat appellante part noch deel had aan de maatregelwaardige gedraging is niet relevant. De maatregel is immers toegepast op de gezinsbijstand die appellante ontving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4090 WWB

09/4850 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 juni 2009, 08/2059 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.H.A. Julicher, advocaat te Venray, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 30 juni 2009 ingezonden.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 5 juli 2011, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 november 2007 samen met de heer [B.] (hierna: B) bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Bij besluit van het College van 3 januari 2008 is aan appellante en B de maatregel van verlaging van de bijstand met 50% over de maand december 2007 opgelegd op de grond dat B niet voldoende heeft meegewerkt aan een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en het niet nakomen van afspraken.

1.3. Het College heeft de bijstand van appellante en B met ingang van 20 februari 2008 opgeschort op de grond dat B geen gevolg had gegeven aan een uitnodiging voor een gesprek op 20 februari 2008 over diens sollicitatieactiviteiten. Daarbij is B uitgenodigd voor een gesprek inzake een traject richting werk op 29 februari 2008. Bij besluit van 25 maart 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 november 2008, zoals gecorrigeerd bij besluit van 20 januari 2009 (hierna: bestreden besluit), heeft het College:

- met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellante en B met ingang van 20 februari 2008 ingetrokken op de grond dat B geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid om de bij het besluit van 20 februari 2008 geconstateerde tekortkoming te herstellen, aangezien hij geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodiging voor een gesprek op 29 februari 2008, en tevens - de (nog niet uitbetaalde) bijstand van appellante en B over de maand februari 2008 verlaagd met 100% op de grond dat B niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen - B heeft zich volgens het College in januari 2008 onvoldoende ingespannen om weer een arbeidscontract te krijgen bij zijn voormalige werkgever - , en om gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling.

1.4. Op het rechtmatigheidsonderzoeksformulier over de maand februari 2008, gedagtekend 3 maart 2008, hebben appellante en B kenbaar gemaakt dat zij uit elkaar zijn en dat, kort gezegd, hun gezamenlijke huishouding met ingang van 21 februari 2008 is geëindigd. Vervolgens heeft appellante op 28 maart 2008 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 8 april 2008 heeft het College appellante met ingang van 26 maart 2008 - de datum waarop B in de Gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Venray (hierna: GBA) was uitgeschreven van het adres van appellante - bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de intrekking, gegrond verklaard, dat besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat het College in zoverre opnieuw op het bezwaar van appellante beslist en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

2.1. Wat betreft de gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. De verplichting om gevolg te geven aan de uitnodigingen voor de gesprekken in februari 2008 is gericht op de arbeidsinschakeling. Bij verwijtbare niet nakoming van deze verplichting is een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB aangewezen en kan de bijstand niet met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB worden ingetrokken.

2.2. Wat betreft de gedeeltelijke ongegrondverklaring heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Het College kon bij de verlaging van de bijstand over de maand februari 2008 uitgaan van een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. De stelling van appellante dat zij al eerder kenbaar had gemaakt dat de samenwoning rond 10 februari 2008 is geëindigd slaagt niet. Met betrekking tot deze verlaging is de rechtbank voorts niet gebleken dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt en evenmin dat er bijzondere financiële consequenties of bijzondere sociale omstandigheden zijn op grond waarvan de verlaging zou moeten worden gematigd.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover haar beroep ongegrond is verklaard. Zij heeft aangevoerd dat de volgende omstandigheden een matiging van de verlaging van 100% rechtvaardigen:

- B heeft de samenleving verbroken zodat zij er alleen voor stond;

- de maatregelwaardige gedraging is een kwestie waaraan appellante part noch deel had;

- appellante heeft de zorg voor een klein kind, dat ook nog eens zodanig ziek was dat het bij tijd en wijle professionele en spoedeisende hulp nodig had, hetgeen appellante niet tijdig zou kunnen regelen indien zij bij gebrek aan geld haar beltegoed niet kan aanvullen en geen vervoer kan regelen.

4. Het College heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 30 juni 2009 het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2008, voor zover het de intrekking betreft, gegrond verklaard, dat besluit in zoverre herroepen en bepaald dat appellante over de periode van 1 tot 26 maart 2008 recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit in de zin van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zal dit besluit mede in zijn beoordeling betrekken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De aangevallen uitspraak

5.1.1. De Raad is van oordeel dat de door appellante naar voren gebrachte omstandigheden, anders dan zij heeft gesteld, niet zijn te beschouwen als omstandigheden die een matiging van de verlaging van 100% rechtvaardigen. Dat appellante part noch deel had aan de maatregelwaardige gedraging is niet relevant. De maatregel is immers toegepast op de gezinsbijstand die appellante ten tijde van belang ontving. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 december 2010, LJN BO9003, geldt in die situatie niet als vereiste dat de maatregelwaardige gedraging appellante persoonlijk en individueel moet kunnen worden verweten. Dat appellante er alleen voor stond met een ziek kind, in samenhang met de gestelde financiële consequenties van de maatregel, levert geen grond op om de verlaging van 100% te matigen.

5.1.2. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1.1 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.2. Het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 30 juni 2009

5.2.1. Appellante heeft aangevoerd, samengevat, dat de samenleving met B wel al rond 10 februari 2008 is beëindigd.

5.2.2. De Raad is van oordeel dat de beschikbare gegevens geen grondslag bieden om aan te nemen dat al eerder dan per 1 maart 2008 een einde is gekomen aan de gezamenlijke huishouding van appellante en B. In het bijzonder zijn er geen objectieve en verifieerbare gegevens waaruit blijkt dat dit zou zijn gebeurd op 10 februari 2008, zoals appellante in beroep en hoger beroep heeft gesteld. De Raad wijst er hierbij nog op dat deze datum afwijkt van de datum die is vermeld op het rechtmatigheidsonderzoeksformulier over februari 2008 en dat B pas op 26 maart 2008 is uitgeschreven van het bij het College bekende adres van hem en appellante.

5.2.3. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2.2 dient het beroep tegen het besluit van 30 juni 2009 ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juni 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD