Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5096

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
09-6490 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekkenning bijstandsuitkering. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College in de door appellant aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten vinden hem met ingang van een eerdere datum dan 30 januari 2008 bijstand toe te kennen. De Raad is van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit niet het geval was. De door appellant aangevoerde omstandigheden kunnen naar het oordeel van de Raad niet aangemerkt worden als bijzondere omstandigheden, die een eerdere ingangdatum van bijstand rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6490 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 november 2009, 08/2773 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011. Appellant is verschenen. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 12 maart 2008 gewend tot het Centrum voor werk en inkomen (CWI) voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het College appellant met ingang van 1 april 2008 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.3. Bij besluit van 15 juli 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 mei 2008 gegrond verklaard en de ingangsdatum van de bijstand gesteld op 30 januari 2008. Het College heeft daarbij aansluiting gezocht bij een eerdere melding in verband met een aanvraag om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandige 2004 (BBZ) door appellant. Nadat appellant op 12 maart 2008 erop gewezen is dat bijstand op grond van de BBZ niet tot de mogelijkheden behoort, heeft appellant zich diezelfde dag bij het CWI gemeld voor bijstand op grond van de WWB.

2. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld wat betreft de ingangsdatum van de bijstand. Volgens appellant heeft het College hem ten onrechte geen bijstand verleend over de jaren 2003, 2006 en 2007 en van 1 tot 30 januari 2008. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 15 juli 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het College is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Daarvan zal met name sprake zijn indien de betrokkene terzake van de late aanvraag niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die voor het College aanleiding hadden moeten vormen om over te gaan tot bijstandsverlening over een periode voorafgaand aan 30 januari 2008, waartoe is overwogen dat niet gebleken is dat appellant buiten staat was eerder een aanvraag in te dienen dan wel dat appellant een gegronde reden had voor de late indiening. Het feit dat appellant als werkzoekende bij het CWI stond ingeschreven doet daar niet aan af, omdat bijstand op aanvraag wordt verleend.

3. Appellant heeft in hoger beroep, evenals in beroep, aangevoerd dat hem met een verdergaande terugwerkende kracht bijstand toegekend had moeten worden. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hij zich als werkzoekende geregistreerd heeft bij het CWI en voldaan heeft aan zijn sollicitatieplicht. Voorts heeft appellant uitvoerig een aantal voor hem belangrijke voorvallen uit het verleden belicht. Tevens heeft appellant verzocht het College te veroordelen tot schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College in de door appellant aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten vinden hem met ingang van een eerdere datum dan 30 januari 2008 bijstand toe te kennen.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit niet het geval was. De door appellant aangevoerde omstandigheden kunnen naar het oordeel van de Raad niet aangemerkt worden als bijzondere omstandigheden, die een eerdere ingangdatum van bijstand rechtvaardigen. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.4. Gelet op de uitkomst van dit geding is er geen ruimte voor veroordeling van het College tot schadevergoeding. De Raad wijst het verzoek van appellant af.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD