Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
09/5115 WUV + 10/4313 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1) Weigering WUV-uitkering. 2) Ingangsdatum WUV-uitkering. Causaliteit. De medische advisering is niet toereikend om het bij de bestreden besluiten ingenomen standpunt te kunnen dragen. Vernietiging van de betreden besluiten. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5115 WUV

10/4313 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (U.S.A.), hierna: appellant,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 9 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 juni 2009, kenmerk CR 12744. Bij dit besluit is na bezwaar gehandhaafd de weigering om aan appellant een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) toe te kennen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 24 juni 2010 heeft verweerder een nader besluit genomen, waarbij aan appellant alsnog met ingang van 1 januari 2009 een periodieke uitkering op grond van de Wuv is toegekend. Appellant heeft ook tegen dit besluit grieven aangevoerd. De Raad acht het beroep mede gericht tegen dit besluit.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 november 2010, waar namens appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, toen werkzaam bij de PUR.

Na de behandeling is het onderzoek heropend en heeft de Raad aan verweerder verzocht een nader medisch advies te laten uitbrengen aan de hand van hetgeen bekend is omtrent de periode dat appellant zijn werk heeft beëindigd. Hierop heeft verweerder een nader medisch advies ingediend, waarop namens appellant is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 28 april 2011. Namens appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, thans werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1937 in het voormalig Nederlands-Indië, is naar aanleiding van een aanvraag van oktober 2005 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Aan hem zijn bij besluit van 24 augustus 2006 enige voorzieningen toegekend. Een periodieke uitkering is hem geweigerd op de grond dat zijn uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten niet hebben geleid tot zodanige beperkingen dat er sprake is van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten. Hierbij is verder overwogen dat niet is gebleken dat er bij appellant in 1998 op 61-jarige leeftijd - hoewel al sprake was van psychische klachten- sprake was van blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de met de vervolging samenhangende psychische klachten voor de destijds uitgeoefende functie van elektroniker/laborant. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 augustus 2007 ongegrond verklaard. In beroep is dit laatste besluit door de Raad vernietigd bij uitspraak van 11 december 2008, nr. 08/191 WUV, op de grond dat de psychiaters die appellant hebben onderzocht geen oordeel hebben gegeven over de psychische status van appellant ten tijde van het beëindigen van zijn werkzaamheden in 1998. De vraag of appellant als gevolg van de met de vervolging samenhangende psychische klachten buiten staat is geraakt zijn grondslaginkomen te verdienen, was niet beantwoord. De Raad achtte daartoe een nader, hierop gericht psychiatrisch onderzoek aangewezen en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van appellant diende te nemen.

1.2. Ter uitvoering van deze uitspraak van de Raad heeft verweerder appellant laten onderzoeken door de psychiater A. Novac te Seattle, die op 10 maart 2009 rapport heeft uitgebracht aan de geneeskundig adviseur van verweerder. Hierin wordt geconcludeerd dat appellant op 61-jarige leeftijd vervroegd is gestopt met werken vanwege de door de vervolging ontstane psychische klachten. Hij achtte de moeilijkheden die appellant vóór het stoppen met zijn werk heeft ondervonden terug te voeren op de symptomen die appellant heeft van een post-traumatisch stresssyndroom (PTSS). Appellant was volgens deze psychiater als gevolg van dit PTSS niet meer in staat zijn werk vol te houden en is hierdoor ook beperkt in zijn sociaal functioneren.

1.3. Op basis van dit rapport heeft de geneeskundig adviseur P. Windels geconcludeerd dat uit het rapport van de psychiater Novac blijkt dat appellant vervroegd is gestopt met werken in 1998 vanwege zijn causale psychische klachten en dat dus sprake is van een verminderd verdienvermogen met 1998 als peiljaar. Verweerder heeft dit advies niet gevolgd en bij het bestreden besluit van 18 juni 2009 het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat objectieve gegevens over de periode direct voorafgaande aan de werkbeëindiging van appellant in 1998 ontbreken en dat bovendien tussen deze werkbeëindiging en de datum van aanvraag 7 jaren liggen. Hierdoor acht verweerder niet meer na te gaan op welke gronden appellant indertijd zijn werkzaamheden heeft gestaakt. Uit de voorhanden zijnde stukken, zoals het sociaal rapport en de medische keuringen viel op te maken dat appellant voor zijn nerveuze klachten in 1998 en daarna geen medische behandeling heeft gezocht. Hierdoor berust de uitkomst van de expertise van psychiater Novacs volgens verweerder op louter retrospectieve beschouwingen. Wel heeft verweerder in navolging van zijn geneeskundig adviseur bij het in rubriek I vermelde besluit van 24 juni 2010 geconcludeerd dat de beperkingen van appellant zodanig zijn dat er thans wel sprake is van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten en is hem met ingang van 1 januari 2009 een periodieke uitkering toegekend, gebaseerd op de minimum grondslag.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Centraal in dit geding staat de vraag of appellant in 1998 zijn werkzaamheden heeft moeten beëindigen als gevolg van zijn door de vervolging ontstane psychische klachten. De psychiater Novac heeft die vraag na een onderzoek van appellant bevestigend beantwoord. De Raad heeft het onderzoek heropend, zoals is aangegeven onder 1.1, om verweerder een nader medisch advies te laten uitbrengen over die vraag, omdat het bij het besluit van 18 juni 2009 ingenomen standpunt niet was gebaseerd op een medisch advies. Integendeel: de geneeskundig adviseur had geadviseerd het oordeel van de psychiater Novac te volgen.

2.2. Naar aanleiding van de vraagstelling van de Raad is in het geding gebracht een advies van de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager van 9 februari 2011. Deze arts heeft volstaan met een beschrijving van de voorgaande procedure en de vaststelling dat de keurend psychiater Novac zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek en niet op objectieve medische gegevens uit 1998. Objectieve medische gegevens omtrent de werkbeëindiging bevinden zich inderdaad niet in het dossier, aldus de geneeskundig adviseur. De Raad stelt vast dat dit advies slechts een herhaling vormt van het bij het bestreden besluit door verweerder ingenomen standpunt. Er is niet teruggekoppeld naar de psychiater Novac om te vragen op welke gronden deze tot de conclusie is gekomen dat de huidige klachten van appellant als gevolg van een PTSS al ten grondslag hebben gelegen aan diens werkbeëindiging in 1998, nu objectieve medische gegevens uit die tijd ontbreken. Dit was in dit geval, mede gezien de stellige conclusies van de keurend psychiater, zeker aangewezen. De Raad acht deze medische advisering gezien het vorenstaande (nog steeds) niet toereikend om het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt te kunnen dragen.

3. Nu het antwoord op de onder 2.1 geformuleerde vraag bepalend is voor beide bestreden, samenhangende besluiten, komen deze beide voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van appellant wordt dus gegrond verklaard. Verweerder zal vóór 1 oktober 2011 een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4. Namens appellant is verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door verweerder en de rechter. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

4.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij is van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

4.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 april 2009 (LJN BI2179) is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee en een half jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 9 april 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. De in 4.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

4.3. Voor dit geval betekent dat het volgende. De Raad stelt vast dat sprake is van een te lange behandelingsduur nu tussen de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 12 december 2006 tot de datum van deze uitspraak vier jaar en bijna zes maanden zijn verstreken.

4.5. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 25 maart 2009 (LJN BH9991) is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de Raad van een besluit op bezwaar heeft geleid tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meerdere keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie). Voor de wijze van beoordeling van een geval als het voorliggende verwijst de Raad voorts naar zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI3008).

4.6. In het onderhavige geval is het beroep twee maal binnen twee jaar na binnenkomst van het beroepschrift afgedaan en is dus geen sprake van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase. De Raad heeft verder noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant, aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de lengte van de procedure meer dan twee en een half jaar zou mogen bedragen. De overschrijding komt dus geheel voor rekening van verweerder. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door appellant geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van vier maal € 500,-, dat is € 2.000,-.

5. De Raad acht ten slotte termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant, zijnde kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € 1.529,50.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de besluiten van verweerder van 18 juni 2009 en 24 juni 2010;

Draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,-;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 1.529,50.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C. Nijholt.

HD