Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR5070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
10-7114 WSF-V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet gegrond verklaard. Nu appellant zich binnen de gestelde termijn tot de Raad heeft gewend en hij op 14 maart 2011 het verschuldigde griffierecht nog tijdig (ter griffie) had kunnen voldoen, moet het niet betalen van het griffierecht verschoonbaar worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/7114 WSF-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 november 2010, 10/520 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: Minister)

Datum uitspraak: 15 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 1 april 2011 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 1 april 2011 heeft appellant verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 8 augustus 2011. Appellant was aanwezig. De Minister is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 1 april 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 14 februari 2011 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij op 14 maart 2011 - dat is de laatste dag waarop het verschuldigde griffierecht tijdig kon worden betaald - telefonisch contact heeft opgenomen met de Raad, omdat hij het griffierecht ter griffie van de Raad wilde storten. De betrokken medewerker van (de griffie van) de Raad heeft appellant toen medegedeeld dat de termijn voor het voldoen van het griffierecht inmiddels was verstreken, zodat betaling geen zin meer had.

De Raad acht, mede gelet op de bevindingen van een binnen de Raad ingesteld nader onderzoek, de verklaring van appellant niet onaannemelijk. Nu appellant zich binnen de gestelde termijn tot de Raad heeft gewend en hij op 14 maart 2011 het verschuldigde griffierecht nog tijdig (ter griffie) had kunnen voldoen, moet het niet betalen van het griffierecht verschoonbaar worden geacht.

Het verzet dient daarom gegrond te worden verklaard.

Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 1 april 2011 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Appellant zal in de gelegenheid worden gesteld het verschuldigde griffierecht binnen vier weken te voldoen.

De Raad ziet aanleiding de Minister te veroordelen in de proceskosten van het verzet, begroot op € 32,78 aan reiskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet gegrond;

Veroordeelt de Minister in de proceskosten van het verzet van appellant tot een bedrag van € 32,78.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2011.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

NK