Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2011
Datum publicatie
15-08-2011
Zaaknummer
10-1801 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op het ouderdomspensioen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellant van 3 september 1961 tot en met 9 juni 1968 ingezetene van Nederland is geweest, dan wel toen ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is geweest aan de loonbelasting. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan appellant toentertijd als verzekerd aangemerkt zou kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1801 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 februari 2010, 09/1711 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 12 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij nadere stukken ingediend.

De Svb heeft in een brief van 29 april 2010 verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2011. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 15 juli 2009 heeft de Svb aan appellant met ingang van augustus 2009 een pensioen annex toeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Op het pensioen van appellant is daarbij een korting toegepast van 12% wegens, afgerond, zes niet verzekerde jaren van appellant.

1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de korting op zijn ouderdomspensioen. Bij besluit van 28 oktober 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 juli 2009 ongegrond verklaard. De Svb heeft het tijdvak van 3 september 1961 tot en met 9 juni 1968 als niet verzekerd aangemerkt nadat kennis was genomen van gegevens van de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters (RIB) en de Gemeentelijke basisadministratie (GBA). Uit deze gegevens blijkt dat appellant in Duitsland heeft gewoond van 3 september 1961 tot en met 26 juni 1969. Volgens informatie van de GBA heeft appellant met ingang van 1 juli 1969 in Nederland gewoond, komende vanuit België. Volgens de informatie van de Belastingdienst heeft hij, wonende in België, in Nederland gewerkt van 10 juni 1968 tot en met 28 juni 1969. De Svb is van mening dat een verklaring van een buurtbewoner onvoldoende bewijs vormt om de gegevens van bovengenoemde officiële instanties teniet te doen en dat appellant niet (voldoende) aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode van 3 september 1961 tot en met 9 juni 1968 in Nederland heeft gewoond en/of daar werkzaam is geweest.

1.3. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant aangegeven dat hij in de periode welke door de Svb als niet verzekerd tijdvak is aangemerkt, op het pluimveebedrijf van zijn vader in [plaatsnaam 1] (Limburg) werkzaam is geweest en in de weekeinden naar zijn ouderlijk huis in [plaatsnaam 2] ging. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft appellant verklaringen overgelegd van enkele buurtbewoners. Omdat het destijds gebruikelijk was dat de ouders voor hun op het eigen bedrijf werkende kinderen geen loonbelasting betaalden, kunnen geen relevante bewijsstukken worden overgelegd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het hiervoor genoemde tijdvak wel verzekerd is geweest. Door of namens appellant zijn geen bewijsstukken overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij in bedoelde periode de hele week in [plaatsnaam 1] verbleef en gedurende de weekeinden naar zijn ouderlijk huis is [plaatsnaam 2] ging, maar daarmee is niet aangetoond dat hij gedurende die periode in Nederland woonachtig was of terzake in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen was. De overgelegde verklaringen van buurtbewoners acht de rechtbank onvoldoende om de gegevens van de bij 1.2 genoemde instanties te weerleggen. In genoemde verklaringen is slechts vermeld dat appellant in bedoelde periode in het bedrijf van zijn ouders in [plaatsnaam 1] heeft gewerkt, waarmee niet is gezegd of appellant loonbelasting heeft betaald en waar hij woonachtig was. De rechtbank overweegt bovendien dat appellant zelf al heeft aangegeven dat de vroegere administrateur van zijn vader zelfs heeft aangegeven dat er waarschijnlijk geen loonbelasting en geen AOW-premie is betaald.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden in essentie herhaald en opnieuw de verklaringen van buurtbewoners overgelegd. Nogmaals voert appellant aan dat hij geen gegevens over betaalde loonbelasting kan overleggen omdat in de periode in geding geen loonbelasting betaald werd voor kinderen die op het landbouwbedrijf van hun ouders werkten. Appellant heeft ter zitting uiteengezet dat zijn vader hem destijds om bepaalde redenen in Duitsland heeft doen inschrijven, hetgeen een verklaring vormt voor de gegevens zoals deze door de Svb zijn ontvangen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne. Ook de Raad is van oordeel dat de Svb bij zijn beoordeling van de aanspraken van appellant op een AOW-pensioen mocht uitgaan van de ambtelijke gegevens over de woonplaats van appellant en zijn arbeidsverleden.

Ten aanzien van de door appellant overgelegde getuigenverklaringen merkt de Raad allereerst op dat daarin geen specifieke informatie is vermeld van de getuigen over eventuele werkzaamheden van appellant op het pluimveebedrijf van zijn ouders te [plaatsnaam 1] dan wel verblijf in Nederland. Voorts kan volgens vaste rechtspraak aan een dergelijke verklaring, bij gebrek aan andere gegevens die wijzen op werkzaamheden of verblijf van appellant hier te lande, in het algemeen geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

4.2. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellant van 3 september 1961 tot en met 9 juni 1968 ingezetene van Nederland is geweest, dan wel toen ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is geweest aan de loonbelasting. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan appellant toentertijd als verzekerd aangemerkt zou kunnen worden.

4.3. Het onder 4.1 en 4.2 overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) T.J. van der Torn.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

EK