Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
10-5697 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep terecht niet ontvankelijk verklaard. Niet verschoonbare termijnoverschrijding. Onbekendheid met de wettelijke leidt niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. In de bezwaarfase is appellante bijgestaan door haar in Nederland wonende echtgenoot. Aan hem is het besluit óók toegestuurd, zodat in elk geval haar echtgenoot de belangen had kunnen waarnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5697 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] Marokko (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2010, 08/4429 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 12 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Svb heeft van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011.

Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

Omdat de Raad van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft hij het onderzoek heropend.

Het geding is (wederom) ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 15 juli 2011.

Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 9 juli 2007 heeft de Svb aan appellante, die woonachtig is in Marokko, met ingang van februari 2005 een pensioen toegekend ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij is een korting toegepast van 36%, wegens - afgerond 18 niet verzekerde jaren.

2.1. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Aangevoerd is dat - gezien haar geboortedatum, [in] 1932 - de ingangsdatum van de uitkering 1 juli 1997 moet zijn.

2.2. Op 25 oktober 2007 is een hoorzitting gehouden. Appellante is daarbij vertegenwoordigd door haar in Nederland wonende echtgenoot, [M.B.]

2.3. Bij besluit van 30 oktober 2007 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Een kopie van dit besluit is verzonden aan [M.B.] als gemachtigde van appellante.

3.1. Bij brief gedateerd 28 oktober 2008 heeft appellante beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

3.2. Het geding is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 november 2009. Appellante was daarbij vertegenwoordigd door A. [B.] een kennis van haar. Volgens de gemachtigde spreekt appellante alleen Berbers. Ze is hartpatiënte. Ze heeft niet begrepen dat ze binnen zes weken beroep moest instellen. Haar echtgenoot heeft de brief voor haar vertaald. Alles gaat via haar echtgenoot.

3.3. Na schorsing van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank appellante in de gelegenheid gesteld om de rechtbank de reden mede te delen van de te late indiening van het beroepschrift.

3.4. Bij brief van 25 november 2009 heeft appellante de rechtbank laten weten dat zij als gevolg van haar hartziekte het bestreden besluit niet tijdig heeft gelezen. Zij heeft het bestreden besluit eerst door een ander laten lezen, die de Nederlandse taal beheerste. Zelf kan zij lezen noch schrijven en ze kan administratief niets regelen. Appellante voegt daaraan toe dat zij verder geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft te melden. Door appellante is een tweetal medische attesten ingezonden, waaruit blijkt dat appellante sinds 1990 onder behandeling is voor hartklachten.

3.5. De rechtbank heeft het beroep niet ontvankelijk verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen:

“De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Verweerder heeft het bestreden besluit op 30 oktober 2007 aan eiseres verzonden. De beroepstermijn is dus gaan lopen op 31 oktober 2007 en geëindigd op 11 december 2007. De rechtbank stelt vast dat eiseres het beroepschrift op 4 november 2008 ter post heeft bezorgd en dat de rechtbank dit op 10 november 2008 heeft ontvangen. Het beroepschrift is dus te laat ingediend.Eiseres heeft als reden van de te late indiening van het beroepschrift aangevoerd, kort gezegd, dat zij hartklachten heeft en analfabeet is. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij als gevolg van haar hartklachten en analfabetisme buiten staat is geweest tijdig een (inleidend)beroepschrift in te dienen dan wel iemand aan te wijzen voor de behartiging van haar belangen”.

4. In hoger beroep heeft appellante haar eerder aangevoerde gronden herhaald. De Svb heeft in verweer verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat het bestreden besluit op 30 oktober 2007 aan appellante is verzonden en dat het door appellante is ontvangen. Het beroepschrift is gedateerd 28 oktober 2008 en door de rechtbank ontvangen op 10 november 2008. Daarmee staat vast dat de beroepstermijn met ongeveer één jaar is overschreden. In hetgeen door appellante is aangevoerd ter verschoning van de overschrijding van de termijn ziet de Raad geen gronden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Onbekendheid met de wettelijke beroepstermijnen kan in het algemeen gesproken niet leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden om daar in het onderhavige geval anders over te oordelen. Het gegeven dat appellante, naar eigen zeggen, analfabete is, volstaat daartoe niet, nu appellante in de bezwaarfase is bijgestaan door haar in Nederland wondende echtgenoot en het bestreden besluit óók aan hem is toegestuurd. De Raad kan in het midden laten of uit de overgelegde medische attesten blijkt dat de hartklachten appellante verhinderden om adequaat haar eigen belangen te behartigen, nu vaststaat dat in elk geval haar echtgenoot die belangen kon waarnemen.

5.2. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

6. De Raad is van oordeel dat er geen grond bestaat om één van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 12 augustus 2011.

GdJ