Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
09-2150 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand. 1) Schoolkosten: ter bekostiging van het lesgeld en schoolboeken had appellant een bijdrage op grond van de Wtos kunnen aanvragen. Geen sprake van een belemmering in de toegang tot onderwijs als bedoeld in artikel 2 van het EP EVRM. 2) Kosten van rechtshulp: deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant, nu deze kosten betrekking hebben op zijn echtgenote. De omstandigheid dat de inkomsten van de echtgenote op de bijstand van appellant in mindering worden gebracht, maakt dat niet anders. Geen strijd met het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. 3)Kosten hoger beroepsopleiding. Het College heeft ten onrechte niet beslist op de bezwaren van appellant tegen de weigering van bijzondere bijstand voor de kosten van de hoger beroepsopleiding van zijn echtgenote

Wetsverwijzingen
Participatiewet 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2150 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2009, 08/620 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Voor appellant is verschenen mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, kantoorgenoot van mr. Fischer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Op 10 oktober 2007 heeft appellant, voor zover hier van belang, bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor schoolkosten ten behoeve van zijn zoon, kosten van rechtshulp van zijn ten tijde in geding niet rechthebbende echtgenote en de kosten van een hoger beroepsopleiding van zijn echtgenote.

1.3. Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van

15 oktober 2007, waarbij de aanvraag was afgewezen, gegrond verklaard, in die zin dat alsnog bijzondere bijstand voor schoolkosten wordt toegekend tot een bedrag van € 281,--, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 1 juli 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Schoolkosten

4.1. Onweersproken is dat de hier bedoelde kosten niet op grond van de WWB voor vergoeding in aanmerking komen. Het College heeft aan het besluit van 1 juli 2008 ten grondslag gelegd dat de vergoeding op grond van het gemeentelijke beleid, zoals neergelegd in het handboek SoZaWe (F/5100) aan een maximum van € 281,-- is gebonden. Zoals de vertegenwoordiger van het College onweersproken ter zitting heeft gesteld is het beleid van het College aan te merken als buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van

23 november 2010, LJN BO5771, betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.

4.2. Op grond van het beleid komen in beginsel alle aan school en vereniging gerelateerde kosten voor vergoeding in aanmerking. Uitzonderingen zijn de kosten van lesgeld, schoolboeken en de aanschaf van een personal computer, aangezien deze kosten vanuit de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) moeten worden betaald.

4.3. De Raad stelt vast dat het College het beleid consistent heeft toegepast, nu alle kosten die op grond van het beleid voor vergoeding in aanmerking kunnen komen ook zijn vergoed. De Raad tekent daarbij aan dat niet alle door appellant gevraagde kosten gerelateerd zijn aan de door appellant aangevoerde gemaakte kosten. De Raad verwijst naar de door appellant overgelegde bonnen van Kijkshop, V&D, H&M en Dice Computers. Door appellant een bedrag van € 281,- toe te kennen heeft het College appellant dan ook niet tekort gedaan.

4.4. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de weigering bijzondere bijstand toe te kennen voor schoolkosten in strijd is met artikel 2 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM). De zoon van appellant volgt onderwijs aan het gymnasium. Ter bekostiging van het lesgeld en schoolboeken had appellant een bijdrage op grond van de Wtos kunnen aanvragen. Daarnaast is via de bijzondere bijstand in schoolkosten voorzien. Reeds in het licht hiervan ziet de Raad niet in dat sprake is van een belemmering in de toegang tot onderwijs als bedoeld in artikel 2 van het EP EVRM. De omstandigheid dat appellant vooralsnog geen aanvraag op grond van de Wtos heeft ingediend, maakt het voorgaande niet anders. Ook hetgeen overigens ten aanzien van de schoolkosten eerst ter zitting nog naar voren is gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.5. Het hoger beroep ten aanzien van de bijzondere bijstand voor schoolkosten kan dan ook niet slagen.

Kosten rechtshulp

4.6. Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd in verband met gestelde kosten van rechtshulp bestaande uit kosten voor een envelop, portokosten, kopieerkosten en reiskosten. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant, nu deze kosten betrekking hebben op zijn echtgenote. De omstandigheid dat de inkomsten van de echtgenote van appellant met toepassing van artikel 32, derde lid, van de WWB op de bijstand van appellant in mindering worden gebracht, maakt dat niet anders. De kosten zijn immers niet door appellant, maar door zijn echtgenote gemaakt. Nu de gemachtigde van appellant voorts desgevraagd heeft erkend dat de gevraagde kosten geen betrekking hebben op kosten van rechtsbijstand verwijst de Raad ten slotte reeds om die reden de stelling van appellant dat het niet vergoeden van die kosten strijdt met het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Kosten hoger beroepsopleiding

4.7. Anders dan het College is de Raad van oordeel dat appellant reeds in bezwaar en beroep heeft geappelleerd tegen de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de hoger beroepsopleiding van zijn echtgenote. In bezwaar heeft appellant zich in algemene bewoordingen gericht tegen de weigering van zijn aanvraag. In beroep heeft appellant in zijn brief van 14 juli 2008 gronden aangevoerd tegen genoemde weigering. De Raad is dan ook van oordeel dat het College ten onrechte niet heeft beslist op de bezwaren van appellant tegen de weigering van bijzondere bijstand voor de kosten van de hoger beroepsopleiding van zijn echtgenote en dat de rechtbank dat niet heeft onderkend. Verder heeft de rechtbank, hoewel het besluit van 1 juli 2008 daarop geen betrekking heeft, niettemin een oordeel gegeven over de kosten van de hoger beroepsopleiding. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

4.8. Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil en in aanmerking genomen dat appellant zowel in de bezwaarfase als in beroep en in hoger beroep de weigering van bijzondere bijstand voor de kosten van de hoger beroepsopleiding gemotiveerd heeft bestreden en dat het College hierop ter zitting heeft gereageerd, ziet de Raad aanleiding met gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien op de in 4.10 aangegeven wijze. Hij overweegt hierover verder het volgende.

4.9. Het College heeft de aanvraag bij besluit van 15 oktober 2007 afgewezen op de grond dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35 van de WWB. De Raad is van oordeel dat de kosten voor de hoger beroepsopleiding zijn gemaakt ten behoeve van de echtgenote van appellant. Deze kosten kunnen dan ook niet aangemerkt worden als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant. De aanvraag is dan ook terecht afgewezen.

4.10. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het besluit van 1 juli 2008 voor vernietiging in aanmerking komt voor zover daarbij is nagelaten een beslissing te nemen op het bezwaar tegen de weigering van bijzondere bijstand in de kosten van de hoger beroepsopleiding. De Raad zal op dat bezwaar beslissen door het bezwaar tegen het besluit van

15 oktober 2007, voor zover dat ziet op de weigering van bijzondere bijstand in de kosten van de hoger beroepsopleiding, ongegrond te verklaren.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 1 juli 2008, voor zover daarbij is nagelaten een beslissing te nemen op het bezwaar tegen de weigering van bijzondere bijstand in de kosten van de hoger beroepsopleiding;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2007, voor zover dat betrekking heeft op de kosten van de hoger beroepsopleiding, ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M.I. ’t Hooft en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M.C. Nijholt.

HD