Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4925

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
10-4009 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim is ten onrechte gegeven. In december 2008 is uitvoering gegeven aan de bevoegd opgelegde straf van plaatsing in een functie met verlaging van zijn bezoldiging voor de periode van twee jaar. Appellant kon daaraan de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hem geen onvoorwaardelijk strafontslag meer zou worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerectificeerde uitspraak 10/4009 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2010, 09/3822 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 11 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2011. Appellant en het college zijn - beiden met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1988 werkzaam bij de Dienst voor Reiniging, Ontsmetting, Transport en Bedrijfswerkplaatsen (hierna: Roteb) van de gemeente Rotterdam, laatstelijk als meewerkend voorman bij de afdeling [naam afdeling].

1.2. Naar aanleiding van een signaal van de beheerder van de afdeling Containerservice van de gemeente Rotterdam is in 2008 door de adviseur integriteit een onderzoek verricht naar de procesgang van de afvalstromen bij de milieuparken van de gemeente Rotterdam en in het bijzonder bij [naam afdeling]. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een rapport van 31 oktober 2008.

1.3. Vanwege mogelijke onregelmatigheden is bij besluit van 13 oktober 2008 appellant de toegang tot alle dienstgebouwen van Roteb ontzegd en is hem tot 10 november 2008 buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging. Het buitengewoon verlof is nadien tot - uiteindelijk - 29 december 2008 verlengd. Met ingang van laatstgenoemde datum is appellant op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder g, van het Ambtenarenreglement Rotterdam (AR) de disciplinaire straf opgelegd van plaatsing in een functie met verlaging van zijn bezoldiging voor de periode van twee jaar. Nadat op 29 december 2008 over de werkhervatting afspraken met appellant waren gemaakt, is appellant op 12 januari 2009 daadwerkelijk met zijn werkzaamheden aangevangen in een administratieve functie met verlaging van zijn bezoldiging.

1.4. Bij besluit van 29 april 2009 is appellant wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang onvoorwaardelijk strafontslag verleend op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder j, van het AR (hierna: ontslagbesluit). Het college heeft appellant verweten dat i) hij samen met zijn collega’s en onder zijn verantwoordelijkheid bedrijven, die niet als klanten bij Roteb waren geregistreerd, meerdere malen heeft bevoordeeld door het aangeboden afval buiten de weegbrug te houden in ruil voor het verlenen van bepaalde diensten en dat (ii) hij in 2008 betrokken is geweest bij de zwarte verkoop van zes of zeven containers oud ijzer aan recyclingbedrijf LvL en hiervan in alle gevallen geld in ontvangst heeft genomen, bestemd voor de zogenaamde fooienpot. Bij het bestreden besluit van 29 september 2009 is na bezwaar onder meer het ontslagbesluit gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan het hem verweten plichtsverzuim. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of appellant aan de brieven van 19 december 2008 en 9 januari 2009 de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat hem geen onvoorwaardelijk strafontslag zou worden opgelegd.

3.2. Bij brief van 19 december 2008, ondertekend door het Hoofd Personeel & Organisatie (P&O), namens de algemeen directeur Roteb, namens het college, is appellant meegedeeld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim maar dat niet is gekozen voor onvoorwaardelijk ontslag. Voorts is appellant in die brief het volgende meegedeeld: ”Alles overwegende heb ik besloten om het college van Burgemeester en Wethouders te verzoeken om u voorwaardelijk disciplinair ontslag te verlenen en u op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder g, van het AR te plaatsen in een andere, lagere betrekking voor de duur van 2 jaar, onder aanpassing van uw bezoldiging.”

3.3. Bij brief van 9 januari 2009 is de gemachtigde van appellant meegedeeld dat appellants coöperatieve houding, zoals verwoord in het schrijven van 19 december 2008, heeft bijgedragen aan het afzien van de zwaarste disciplinaire maatregel, namelijk onvoorwaardelijk strafontslag. Ook deze brief is ondertekend door het Hoofd P&O, namens de algemeen directeur Roteb, namens het college.

3.4. De Raad overweegt dat uit de brief van 19 december 2008 lijkt te volgen dat appellant de straf van voorwaardelijk ontslag zal worden opgelegd in combinatie met de disciplinaire straf van plaatsing in een functie met lagere bezoldiging. Tot het opleggen van laatstgenoemde straf is het Hoofd P&O op grond van mandaat bevoegd. Toen vervolgens in december 2008/januari 2009 uitvoering werd gegeven aan laatstgenoemde bevoegd opgelegde straf en (de gemachtigde van) appellant op 9 januari 2009 namens het college (nogmaals) werd meegedeeld dat was afgezien van onvoorwaardelijk strafontslag, en hij bovendien enkele dagen later heeft hervat in die lager betaalde functie kon appellant daaraan naar het oordeel van de Raad de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hem geen onvoorwaardelijk strafontslag meer zou worden opgelegd. Bij dit alles ziet de Raad in de onder 3.2 aangehaalde volzin uit de brief van 19 december 2008 onvoldoende grond voor een ander oordeel.

4. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het ontslagbesluit is gehandhaafd, in rechte geen stand kan houden en in zoverre moet worden vernietigd evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in zoverre in stand is gelaten.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.311,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het ontslagbesluit is gehandhaafd;

Draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het ontslagbesluit met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.311,-;

Bepaalt dat het college aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD