Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
09-4623 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering functie toe te wijzen. Bij een sollicitatieprocedure heeft het bestuursorgaan een grote beoordelingsruimte. Terughoudende toetsing. Appellant beschikt niet over een algemene opsporingsbevoegdheid en heeft geen ervaring als algemeen opsporingsambtenaar, waardoor hij niet aan de functie-eisen voor de functie van IPR Kmar voldoet. Geen strijd met gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4623 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 juli 2009, 08/8842 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Landstrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 11 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. van Breet, werkzaam bij VBM/NOV. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Rentema-Westerhof, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, sergeant der eerste klasse bij de Koninklijke landmacht, heeft gesolliciteerd naar de functie van Instructeur Militaire Rijopleidingen (hierna: IMR) van het Opleidings- en Trainingscommando Rijden te Oirschot.

1.2. Bij besluit van 21 mei 2008 is geweigerd appellant die functie toe te wijzen.

1.3. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 mei 2008 is bij besluit van 4 november 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - onder toekenning van proceskosten en griffierecht - het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.1. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat door een omissie van de commandant de functiebeschrijving van de functie van IMR is gepubliceerd, terwijl de functie van Instructeur Politie Rijopleidingen Kmar (hierna: IPR Kmar) vacant was. De commandant heeft na ontdekking van deze omissie niet eerst de vacaturestelling voor de functie van IMR afgesloten en vervolgens een nieuwe sollicitatieprocedure voor de functie van IPR Kmar in gang gezet, maar in plaats daarvan de functie-eisen tijdens de sollicitatieprocedure aangescherpt. Hiermee heeft de commandant in strijd met het beginsel van fair play gehandeld. De rechtbank heeft echter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Hiertoe is overwogen dat, nu appellant niet beschikt over een algemene opsporingsbevoegdheid en geen ervaring heeft als algemeen opsporingsambtenaar, hij niet voldeed aan de functie-eisen van IPR Kmar.

3. Appellants hoger beroep is gericht tegen de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangevoerd is dat appellant volledig voldeed aan de in eerste instantie gestelde functie-eisen en de meest geschikte kandidaat was voor de functie van IMR. Voorts heeft appellant een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan, nu de rechtbank in een soortgelijke zaak van een collega van appellant een andere (meer gunstige) uitspraak heeft gedaan dan in de zaak van appellant.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt voorop dat de beslissing van een bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure als hier aan de orde het resultaat is van een afwegingsproces van de capaciteiten van de sollicitant tegen de achtergrond van de vereisten die voor de desbetreffende functie zijn gesteld. Het bestuursorgaan heeft hierbij een grote beoordelingsruimte. De rechterlijke toetsing van de beslissing is daarom terughoudend. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad in dit verband dat hij de conclusie van de rechtbank en het daaraan ten grondslag gelegde oordeel onderschrijft dat de afwijzing van appellant berust op het standpunt dat appellant niet beschikt over een algemene opsporingsbevoegdheid en geen ervaring heeft als algemeen opsporingsambtenaar, waardoor hij niet aan de functie-eisen voor de functie van IPR Kmar voldoet. Het door appellant aangevoerde dat hij volledig voldeed aan de in eerste instantie gestelde functie-eisen voor de functie van IMR is niet van belang, nu is gebleken dat de functie van IMR niet (langer) vacant was.

4.2. De Raad is voorts van oordeel dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Aan het aangevoerde dat de rechtbank in een vergelijkbare zaak de rechtsgevolgen niet in stand heeft gelaten, gaat de Raad voorbij, nu die uitspraak van de rechtbank in deze zaak niet ter toetsing voorligt. Overigens heeft de rechtbank in de desbetreffende - vergelijkbare - zaak het beroep tegen het na de vernietiging genomen besluit opnieuw gegrond verklaard, maar vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit eveneens in stand gelaten.

5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Bekkers.

HD