Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4904

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2011
Datum publicatie
15-08-2011
Zaaknummer
09-4121 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Afwijzing aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de Kortingsregeling 2007. Inkomen boven de geldende bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4121 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 juni 2009, 08/1748 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2011. Appellante is, met voorafgaande berichtgeving, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.S. Pletzers, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij beschikking van de rechtbank, sector civiel, van 14 december 2005 is de echtscheiding tussen appellante en R.J.H. [P.] (hierna: P.) uitgesproken. De echtscheiding is op 31 maart 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. P. betaalt aan appellante een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) en kosten voor de voormalige echtelijke woning, waarin appellante is blijven wonen.

1.2. Op 26 maart 2008 heeft appellante zich gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 januari 2007. Zij heeft daarbij verwezen naar een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over 2007, waardoor haar inkomen volgens haar over dat jaar beneden het bestaansminimum komt, terwijl dat voor 2008 naar verwachting ook zo zal zijn. Bij besluit van 21 mei 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.3. Voorts heeft het College, voor zover hier van belang, bij besluit van 22 mei 2008 de aanvraag van appellante afgewezen om een tegemoetkoming in het kader van de zogeheten Kortingsregeling 2007.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 26 september 2008 heeft het College de besluiten van

21 mei 2008 en 22 mei 2008 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 26 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De afwijzing van de aanvraag om bijstand.

4.1.1. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat de rechtbank bij de beoordeling of appellante een inkomen heeft boven de bijstandsnorm terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat zij geen woonkosten heeft, als bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de Verordening wet werk en bijstand gemeente Heerlen (hierna: Verordening). De Raad onderschrijft daartoe de overwegingen van de rechtbank dat uit de gedingstukken blijkt dat de hypotheekrente en de zakelijke lasten van de woning door P. worden betaald. Inmiddels is ook gebleken dat appellante de kosten voor ketelonderhoud - nog geheel daargelaten of deze kosten vallen onder het begrip kosten van groot onderhoud van de woning - niet zelf hoeft te dragen, terwijl de andere door appellante opgevoerde kosten geen woonkosten betreffen als bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de Verordening. Dat heeft tot gevolg dat het College de voor appellante geldende bijstandsnorm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%, omdat appellante de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet met een ander kan delen, vervolgens op goede gronden met toepassing van artikel 24, eerste lid van de Verordening met twintig procent heeft verlaagd. De met ingang van 26 maart 2008 voor appellante geldende bijstandsnorm is dan ook terecht berekend op € 630,14 per maand.

4.1.2. De Raad is voorts van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat, beoordeeld vanaf de datum van aanvraag van de bijstand tot en met de datum van het primaire besluit van 21 mei 2008, de door appellante ontvangen partneralimentatie van € 939,47 bruto per maand, verminderd met de maandelijks over 2008 verschuldigde belastingaanslagen, leidt tot een inkomen boven de voor appellante geldende bijstandsnorm. Appellante heeft aangevoerd dat zij diverse extra kosten heeft, zoals ziektekosten, advocaatkosten en reiskosten voor de huisarts, maar dat zijn kosten die bij deze berekening buiten beschouwing dienen te blijven. Overigens heeft appellante voor deze kosten bijzondere bijstand aangevraagd, waarover afzonderlijke besluitvorming heeft plaatsgevonden.

4.1.3. Met betrekking tot de periode voorafgaande aan 26 maart 2008 is de Raad van oordeel dat, behoudens bijzondere omstandigheden, in beginsel geen aanspraak bestaat op bijstand met terugwerkende kracht. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 15 juli 2003, LJN AI0641. Van bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Het College heeft ter zitting verklaard bereid te zijn in gevallen als deze over te gaan tot bijstandsverlening achteraf voor een nagekomen belastingaanslag, indien zou blijken dat de betrokkene achteraf gezien een inkomen onder de bijstandsnorm zou hebben. Daarvan is in dit geval evenwel geen sprake. De Raad verwijst ook hier naar de door de rechtbank hieromtrent uitgevoerde berekeningen.

4.1.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.1.3 volgt dat de rechtbank de afwijzing van de aanvraag van appellante om bijstand terecht in stand heeft gelaten.

4.2. De afwijzing van de tegemoetkoming op grond van de Kortingsregeling 2007.

4.2.1. De Kortingsregeling 2007 is een gemeentelijke minimumregeling die wordt uitgevoerd binnen een gemeentelijke verordening met als doel het bevorderen van de maatschappelijke participatie van burgers met een laag inkomen. Het betreft hier beleid dat geen grondslag vindt in een autonome verordening van een decentraal bestuursorgaan en sterke verwantschap vertoont met artikel 35, eerste lid, van de WWB. In verband hiermee acht de Raad zich bevoegd van dit hoger beroep kennis te nemen (vergelijk CRvB 15 september 2009, LJN BJ8429).

.

4.2.2. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat de rechtbank de ongegrondverklaring van het hierop betrekking hebbende gedeelte van het beroep genoegzaam heeft gemotiveerd door voor de conclusie dat appellante niet een inkomen lager dan de bijstandsnorm heeft te verwijzen naar de motivering betreffende de aanvraag om bijstand.

4.2.3. De Raad is voorts van oordeel dat de door appellante ontvangen partneralimentatie, die bestemd is te voorzien in haar kosten van levensonderhoud, in haar geheel als inkomen als bedoeld in de Kortingsregeling 2007 is aan te merken. Volgens de Kortingsregeling 2007 worden inkomsten uit vermogen buiten beschouwing gelaten. De omstandigheid dat P., zoals appellante stelt, de partneralimentatie gedeeltelijk betaalt uit de opbrengst van een gezamenlijke beleggingsrekening, heeft niet tot gevolg dat deze partneralimentatie daarmee als inkomen uit vermogen als bedoeld in de Kortingsregeling 2007 moet worden aangemerkt. Die kwestie zal eventueel bij de uiteindelijke verdeling van de boedel aan de orde moeten worden gesteld.

4.2.4. Gelet op 4.2.2 en 4.2.3 is de Raad van oordeel dat de rechtbank de afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de Kortingsregeling 2007 eveneens terecht in stand heeft gelaten.

4.3. Uit 4.1.4 en 4.2.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.C. Nijholt.

HD