Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
11-499 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Draagkrachtmeting. De ingangsdatum van de draagkrachtmeting over 2009 is terecht bepaald op 1 april 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/499 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 13 december 2010, 09/1095 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).

Datum uitspraak: 8 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Voor de Minister is verschenen drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Naar aanleiding van de ontvangst in april 2009 van het formulier draagkrachtmeting 2009 heeft de Minister bij besluit van 6 mei 2009 de draagkracht van appellant voor 2009 berekend en vastgesteld dat appellant (wat 2009 betreft) vanaf 1 mei 2009 niets van zijn (nog resterende) studieschuld hoeft terug te betalen.

1.2. Bij besluit van 16 juni 2009 heeft de Minister het bezwaar van appellant, gericht tegen de in het besluit van 6 mei 2009 bepaalde ingangsdatum van de draagkrachtvaststelling, gegrond verklaard en die ingangsdatum nader vastgesteld op

1 april 2009.

2. De rechtbank heeft in de aangevoerde beroepsgronden geen reden gevonden om te oordelen dat de Minister de ingangsdatum van de draagkracht had moeten vaststellen op een eerdere datum dan 1 april 2009. Het beroep is dan ook ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft evenals in beroep aangevoerd dat hij al op 5 januari 2009 een draagkrachtformulier 2009 per post heeft verzonden, dat dit formulier juist was geadresseerd en dat het dus moet zijn ontvangen. Ook heeft hij zich, net als in beroep, op het standpunt gesteld dat, uitgaande van een latere ontvangst van het draagkracht- formulier, zijn draagkracht met terugwerkende kracht had kunnen worden gemeten; volgens appellant is het in strijd met een redelijke belangenafweging dat voor de eerste drie maanden van 2009 wel een aflossingsverplichting is vastgesteld.

4.1. De Raad stelt vast dat het geschil – ook – in hoger beroep zich beperkt tot de vraag of de ingangsdatum van de draagkrachtmeting over 2009 terecht is bepaald op 1 april 2009.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van wat reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de stellingen met betrekking tot de beweerdelijk eerder ingediende aanvraag om draagkrachtmeting en de mogelijkheid om de draagkracht met terugwerkende kracht vast te stellen afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom de grieven van appellant niet slagen. De Raad deelt de overwegingen van de rechtbank en maakt de door de rechtbank uit die overwegingen getrokken conclusie tot de zijne. De Raad ziet voorts geen reden af te wijken van de duidelijke tekst van de wet en de bedoeling van de wetgever.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) T.J. van der Torn.

RK