Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4801

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
10-4451 SUWI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Re-integratievisie, waarin onder meer de afspraken met appellante over de door haar te verrichten re-integratie-activiteiten zijn vastgelegd. Geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid, zodat appellante niet in de categorie uitkeringsgerechtigden valt die ingevolge de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet SUWI is vrijgesteld van het leveren van re-integratie-inspanningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4451 SUWI

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2010, 09/7386 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Namens appellante is mr. J.R. Ali, advocaat te ’s-Gravenhage, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 25 november 2008 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 26 januari 2009 ingetrokken op de grond dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Bij uitspraak van 19 november 2010, LJN BO4623, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 8 december 2009, waarbij het beroep tegen het besluit tot handhaving van die intrekking ongegrond is verklaard, vernietigd op arbeidskundige gronden, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten.

1.2. Bij besluit van 22 april 2009 heeft het Uwv aan appellante een re-integratievisie toegezonden, waarin onder meer de afspraken met appellante over de door haar te verrichten re-integratie-activiteiten zijn vastgelegd.

1.3. Bij besluit van 7 september 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 april 2009, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige A. Diepenhorst van 1 september 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante, gelet op de instandlating van het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering per 26 januari 2009, in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 8 december 2009 heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de re-integratievisie niet met juistheid is vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 1 september 2009 heeft vermeld dat de re-integratievisie correct is opgesteld en dat appellante dient te voldoen aan de activiteiten die zijn vastgelegd in de re-integratievisie. Nu van een situatie van volledige arbeidsongeschiktheid niet is gebleken valt appellante niet in de categorie uitkeringsgerechtigden die ingevolge de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) is vrijgesteld van het leveren van re-integratie-inspanningen. Appellante zal daarom volgens de rechtbank in beginsel moeten aanvaarden dat het Uwv haar re-integratieverplichtingen (in de vorm van een re-integratievisie) oplegt.

3. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar de gronden die zij in hoger beroep heeft aangevoerd tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 december 2009 waarbij het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering in geding was, gesteld dat zij volledig arbeidsongeschikt is en dat zij niet kan voldoen aan de activiteiten die zijn vastgelegd in de re-integratievisie.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Nu de Raad in zijn uitspraak van 19 november 2010, LJN BO4623, de rechtsgevolgen van het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering in stand heeft gelaten, staat vast dat appellante niet volledig arbeidsongeschikt is en dat zij in staat moet worden geacht de voorgehouden functies te verrichten. Nu appellante tegen de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen andere gronden heeft aangevoerd, volstaat de Raad met een verwijzing naar hetgeen met betrekking tot de medische grondslag in zijn uitspraak van 19 november 2010 is overwogen. Overigens onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen in de aangevallen uitspraak. Het ter zitting namens appellante verwoorde standpunt dat zij niet tot het verrichten van werkzaamheden in staat is, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden, nu dit standpunt niet met medische informatie is onderbouwd. Blijkens de re-integratievisie heeft appellante in het gesprek met de arbeidsdeskundige aangegeven zich niet goed tot arbeid in staat te achten, maar wilde zij wel proberen passend werk te krijgen waarbij zij hulp van een re-integratiebedrijf op prijs stelde. In dat kader is onder meer de afspraak gemaakt dat aan appellante re-integratiebegeleiding zal worden aangeboden en dat zij is vrijgesteld van sollicitatie tot de start van het re-integratietraject bij Agens. Niet gebleken is dat appellante niet aan deze afspraken kan voldoen.

4.2. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) T. Dolderman.

RK