Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4799

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
09-1532 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Het medisch onderzoek is zorgvuldig geweest en kan de getrokken conclusie. Geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat de klachten geen beletsel meer vormen voor het verrichten van het eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1532 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2009, 08/2876 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kuit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in 1993 uitgevallen wegens psychische klachten voor haar werk als lerares Frans en Nederlands aan Turkse vrouwen gedurende 17,03 uur per week. Aansluitend aan de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze WAO-uitkering is laatstelijk per 12 juni 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daarna is appellante vanaf 9 januari 2006 werkzaam geweest als ondersteuner NT-2 docente analfabetengroep bij [naam B.V.] Met ingang van 5 februari 2007 is appellante wederom voor bepaalde tijd als ondersteuner NT-2 docente bij [naam B.V.] in dienst getreden.

1.2. Appellante is ten gevolge van een hartinfarct op 23 mei 2007 uitgevallen voor dit werk. In verband hiermee is appellante meerdere malen op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, waarbij inlichtingen van de cardioloog zijn betrokken. Bij het laatste spreekuurbezoek op 20 mei 2008 heeft de verzekeringsarts appellante hersteld geacht voor haar eigen werk van ondersteuner NT-2 docente. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 20 mei 2008 beslist dat appellante met ingang van 26 mei 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in diens rapportage van 9 juli 2008 - bij besluit van 10 juli 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was daarbij van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kon dragen. De door appellante ingebrachte informatie van sociaal-verpleegkundige N.M.G. Dronrijp van 1 oktober 2008 van Delta psychiatrisch centrum gaf de rechtbank geen reden voor twijfel.

3. In hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat zij gelet op haar lichamelijke, maar met name psychische beperkingen, nog steeds niet in staat is om haar eigen werk te verrichten. Zij is van mening dat er ten onrechte geen nader onderzoek is gedaan door een onafhankelijk psychiater.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. In dit geval is dat het werk van ondersteuner NT-2 docente voor 19 uur per week.

De Raad overweegt in verband hiermee op de eerste plaats dat de kort voor de zitting door appellante overgelegde verklaring van mevrouw A. Jansen van 29 april 2010 niet een geheel ander licht werpt op de aard en de zwaarte van het werk, zoals dit blijkt uit de hieromtrent reeds in het dossier aanwezige gegevens waaronder de werkbeschrijving van appellante tijdens de hoorzitting.

4.3. Hetgeen appellante voorts in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd en wordt niet met nieuwe medische gegevens onderbouwd. De Raad is in dit verband met de rechtbank van oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. Weliswaar heeft de primaire verzekeringsarts geen rekening gehouden met de psychische klachten van appellante maar deze omissie heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad hersteld. Blijkens de rapportage van 9 juli 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts rekening gehouden met de psychische klachten van appellante door de informatie van de behandelend psychiater R.van Rossum van 19 november 2004 mee te wegen in zijn oordeel. De bezwaarverzekeringsarts heeft er daarbij op gewezen dat appellante die psychische klachten al langere tijd heeft en daarmee ook heeft kunnen werken terwijl er ten aanzien van deze klachten de afgelopen jaren niets gewijzigd is. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts op basis van eigen onderzoek geen psychopathologie kunnen vaststellen die aan de geschiktheid voor het eigen werk in de weg staat. De Raad onderschrijft voorts het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 22 december 2008 dat de in beroep overgelegde informatie van de verpleegkundige Dronrijp van 1 oktober 2008 geen nieuwe gezichtspunten bevat.

4.4. Ook wat betreft de fysieke klachten ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat deze geen beletsel meer vormen voor het verrichten van het eigen werk. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij in aanmerking genomen dat dit werk een beperkte fysieke belasting kent en dat er blijkens de informatie van de behandelend cardioloog van 25 maart 2008 niet blijkt van relevante fysieke beperkingen.

4.5. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die voor de Raad aanleiding zou kunnen zijn te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellante geschikt te achten is voor haar werk van ondersteuner NT-2 docente. De in hoger beroep overgelegde informatie van Delta van september 2010 heeft deels betrekking op de situatie na de datum in geding van 26 mei 2008 en mist in zoverre relevantie voor de onderhavige beoordeling. Voor het overige bevat deze informatie geen medische gegevens die al niet eerder bekend waren.

5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

RK