Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4795

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
10-2697 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van ziekengeld. “Zijn arbeid”. Geschiktheid voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA. Niet gebleken dat bij appellant sprake is van een sterk verminderde energetische belastbaarheid als gevolg waarvan er sprake zou kunnen zijn van een beperking ten aanzien van de arbeidsduur. Rekening houdend met de beperkingen, is op zorgvuldige wijze bezien of de eerder geduide functies geschikt te achten zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2697 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2010, 09/3293 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Appellant is verschenen en bijgestaan door mr. Van Leeuwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Appellant is werkzaam geweest als toezichthouder voor 40 uur per week. Appellant heeft zich per 9 januari 2006 arbeidsongeschikt gemeld wegens rug- en heupklachten. Bij het einde van de wachttijd is hem met ingang van 7 januari 2008 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%. Hierbij is overwogen dat appellant met inachtneming van de voor hem gestelde beperkingen, die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 18 oktober 2007, geschikt werd geacht voor de geduide functies. Appellant heeft zich vervolgens twee maal vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens hartklachten, hoge bloeddruk en rugklachten, voor het laatst op 4 september 2008.

2. Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 14 oktober 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 21 november 2008 is het bezwaar van appellant tegen het besluit tot beëindiging van zijn ziekengeld ongegrond verklaard.

3. Bij uitspraak van 8 juli 2009 heeft de rechtbank het besluit op bezwaar van 21 november 2008 vernietigd wegens strijd met het zorvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank is de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende ingegaan op de noodzaak van de rustmomenten van appellant en op de vraag of de hartklachten van appellant eventueel problemen opleveren bij het verrichten van zijn arbeid. Voorts dient het Uwv na te gaan of de nekklachten van appellant op de datum in geding aanwezig waren en dient het Uwv het geheel van appellants klachten - in hun onderlinge relatie - bij de beoordeling te betrekken.

4. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 8 juli 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest het dossier van appellant herbeoordeeld. De bezwaarverzekeringsarts is vervolgens, blijkens zijn rapportage van 18 augustus 2009, tot de conclusie gekomen dat appellant op de datum in geding, rekening houdend met de opmerkingen van de rechtbank, onveranderd geschikt is te achten voor zijn arbeid, zijnde de destijds in het kader van de Wet WIA geduide functies van assembleerder installatie, motoren, voertuigen en brugwachter, sluiswachter. Bij besluit van 20 augustus 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2008 opnieuw ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard onder de overweging dat het Uwv middels de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts afdoende heeft gemotiveerd waarom appellant onverminderd geschikt is te achten voor zijn arbeid. Ten aanzien van het dagverhaal en de gestelde noodzaak tot het nemen van rustmomenten overweegt de rechtbank dat het primair aan appellant is om zijn klachten en beperkingen mede te delen aan de (bezwaar)verzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat bij appellant sprake is van een sterk verminderde energetische belastbaarheid als gevolg waarvan er sprake zou kunnen zijn van een beperking ten aanzien van de arbeidsduur. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat appellant niet voldoet aan de criteria zoals die zijn neergelegd in de Standaard verminderde arbeidsduur. Ten aanzien van de nek- en hartklachten overweegt de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts, rekening houdend met voornoemde klachten, op zorgvuldige wijze heeft bezien of de eerder geduide functies geschikt te achten zijn voor appellant. Door appellant zijn in beroep geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende medische beperkingen anders, dan wel ernstiger zijn dan waarvan het Uwv is uitgegaan.

6. Hetgeen appellant in hoger beroep aanvoert vormt in essentie een herhaling van hetgeen hij reeds in beroep heeft aangevoerd. In hoger beroep benadrukt appellant - kort samengevat - dat het de taak van de (bezwaar)verzekeringsarts is om bij het afnemen van de anamnese op een actieve wijze vragen, en zo nodig nadere vragen, te stellen om een zo goed mogelijk medisch beeld te krijgen. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat de bezwaarverzekeringsarts hem ten onrechte niet heeft uitgenodigd voor een (nader) onderzoek met betrekking tot de hart- en nekklachten, en de genoemde rustmomenten. Niet is gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts alle klachten - in onderlinge relatie - heeft betrokken in de beoordeling van de geschiktheid van de geduide functies.

7.1. De Raad overweegt als volgt.

7.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA.

7.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt die tot de zijne.

De Raad acht de nadere motivering van de bezwaarverzekeringsarts Van Geest, zoals verwoord in haar rapportage van 18 augustus 2009 en nader aangevuld op 27 oktober 2009, voldoende overtuigend en ziet in hetgeen in hoger beroep zonder nadere medische onderbouwing is aangevoerd geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om, zoals ter zitting door de gemachtigde van appellant is verzocht, een onafhankelijk deskundige in te schakelen.

8. Hetgeen onder 7.1 tot en met 7.3 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 14 oktober 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

9. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

RK