Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
10-6343 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering. Niet gebleken dat bij appellant op zijn 17e levensjaar sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid als gevolg van psychische decompensatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6343 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 oktober 2010, 10/1796 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jap-A-Joe. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren op [datum] 1967, heeft op 8 mei 2009 een aanvraag voor een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij besluit van 14 januari 2010 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden om als jonggehandicapte in de zin van de Wajong te worden beschouwd. Bij besluit van 20 april 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad, overwogen dat aanspraken van een verzekerde in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum waarop de aanspraak betrekking heeft. De aanvraag van appellant vloeit voort uit een door hem gestelde arbeidsongeschiktheid op de dag dat hij 17 jaar werd, te weten op 1 juli 1984, ten gevolge waarvan appellant op 1 juli 1985 aanspraak op een Wajong-uitkering meent te hebben. Op de datum waarop de aanspraak van appellant betrekking heeft waren de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van toepassing, zodat de rechtbank de aanspraak inhoudelijk heeft beoordeeld aan de hand van het bepaalde in de AAW.

2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de bevindingen van de betrokken verzekeringsartsen in twijfel te trekken. De rechtbank heeft daarbij - samengevat - in aanmerking genomen dat uit de voorhanden zijnde medische stukken niet is gebleken dat bij appellant op zijn 17e levensjaar sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid als gevolg van psychische decompensatie.

3. Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. Appellant heeft zijn standpunt dat hij reeds in zijn jeugd psychische problemen had, gehandhaafd onder verwijzing naar de in hoger beroep overgelegde verklaring van de Marokkaanse arts, dr. Rached Mounir, van 7 augustus 1984.

4.1. De Raad stelt vast dat in hoger beroep in essentie dezelfde gronden zijn aangevoerd als in beroep. De Raad is van oordeel dat de rechtbank deze beroepsgronden afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen.

4.2. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde verklaring van voornoemde arts merkt de Raad op dat uit deze verklaring enkel blijkt dat appellant sinds 11 augustus 1984 onder psychiatrische behandeling staat. Zoals de Raad onder andere in zijn uitspraak van 16 oktober 2007, LJN BB5733 heeft overwogen, is niet beslissend of appellant op de dag waarop hij 17 jaar werd psychische klachten had dan wel onder psychiatrische behandeling stond, maar of hij op die datum als gevolg daarvan zodanige arbeidsbeperkingen had dat hij niet staat was om 75% te verdienen van het voor hem geldende minimumloon. Daarvan is de Raad niet gebleken. Ook in de overige beschikbare medische gegevens heeft de Raad geen aanwijzingen gevonden om aan te nemen dat appellant reeds op 1 juli 1984 door ziekte of gebrek zodanig beperkt was dat hij niet in staat was om 75% van minimumjeugdloon voor een 17-jarige te verdienen dan wel dat sprake is geweest van een onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid. De Raad merkt in dit verband nog op dat appellant, blijkens de gedingstukken, in periode 1981-1985 een LTS opleiding volgde, maar geen diploma heeft behaald vanwege het feit dat hij het laatste tentamen niet heeft kunnen afmaken omdat hij op vakantie was.

4.3. Appellants stelling dat hij onbekend was met het bestaan van de mogelijkheid van het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan naar vaste jurisprudentie van de Raad niet tot het door appellant gewenste resultaat leiden.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

RK