Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
10-1783 ZW + 10-1784 WAO + 10-1785 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking WAO-uitkering. Weigering WAO-uitkering te herzien. De door de rechtbank geraadpleegde deskundigen hebben zich volledig kunnen vinden in de vaststelling van de belastbaarheid neergelegd in de FML. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht de door haar ingeschakelde deskundigen heeft gevolgd. Voldoende inzichtelijk en toetsbaar toegelicht dat appellante in staat moet worden geacht de geduide functies te vervullen. 2) Weigering ziekengeld. “Zijn arbeid”. Geschiktheid voor ten minste één van de geselecteerde functies. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1783 ZW

10/1784 WAO

10/1785 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 februari 2010, 08/1511 (hierna: aangevallen uitspraak 1), 08/1516 (hierna: aangevallen uitspraak 2) en 08/5025 (hierna: aangevallen uitspraak 3),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2011. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Shaaban, kantoorgenoot van mr. Toxopeus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär. De zaken zijn gevoegd behandeld.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is in december 2000 volledig uitgevallen voor haar werk als caissière voor 20 uur per week vanwege klachten die samenhangen met fibromyalgie en ß-thalassemie. Op grond van deze klachten is appellante met ingang van 31 december 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 8 mei 2006 onderzocht door de verzekeringsarts R.S.J. Lie Pauw Sam. Op basis van eigen medisch onderzoek en dossierstudie heeft deze verzekeringsarts aangegeven dat bij appellante verminderde mogelijkheden bestaan met betrekking tot persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan de fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De hieruit voor appellante voortvloeiende beperkingen zijn opgenomen in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige A.W. Brom functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellante en waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat sprake is van een inkomensverlies van minder dan 15%. Bij brief van 30 augustus 2006 wordt appellante geïnformeerd dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 31 oktober 2006 minder dan 15% bedraagt. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 oktober 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 31 oktober 2006 ingetrokken.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn, op basis van dossierstudie, eigen medisch onderzoek en met verkregen aanvullende informatie van de huisarts en fysiotherapeut van appellante, in zijn rapportage van 8 oktober 2007 aangegeven dat de belastbaarheid van appellante, zoals weergegeven in de FML van

8 mei 2006 niet is overschat. Onder verwijzing naar deze rapportage heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 oktober 2006 bij besluit van 28 januari 2008 ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit 1).

1.4. Op 14 februari 2007 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld in verband met onder andere toegenomen heupklachten. In dat kader heeft appellante een paar keer het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Op 5 oktober 2007 heeft de verzekeringsarts appellante weer geschikt geacht voor de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 5 oktober 2007 aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 8 oktober 2007 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.5. Bij besluit van eveneens 28 januari 2008 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts F. van Duijn van 18 december 2007, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 oktober 2007 ongegrond verklaard. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie en eigen onderzoek het oordeel van de verzekeringsarts onderschreven.

1.6. In het kader van een herbeoordeling heeft de bezwaarverzekeringsarts F. van Duijn op 18 december 2007 tevens de mate van arbeidongeschiktheid van appellante per 22 februari 2007 beoordeeld. De bezwaarverzekeringsarts was van mening dat de beperkingen van appellante onveranderd waren gebleven ten opzichte van de beperkingen zoals die zijn vastgelegd in de FML van 8 mei 2006. Op 11 januari 2008 heeft de bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde vervolgens een drietal, met de beperkingen overeenkomende, functies voor appellante geselecteerd en vastgesteld dat het inkomensverlies van appellante minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 28 januari 2008 heeft het Uwv appellante laten weten dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van 22 februari 2007 onveranderd is vastgesteld op minder dan 15%.

1.7. Naar aanleiding van het door appellante tegen het besluit van 28 januari 2008 gemaakte bezwaar, heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker op 6 mei 2008 een rapportage uitgebracht met als conclusie dat vanuit medisch oogpunt geen noodzaak bestaat om af te wijken van het oordeel in de primaire fase, omdat de in de FML van

8 mei 2006 aangegeven beperkingen in voldoende mate overeenkomen met de aanwezige, medisch objectiveerbare, klachten van appellante. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon op 17 juni 2008 andermaal de voor appellante geselecteerde functies, met name op de in die functies voorkomende overschrijdingen, beoordeeld en geconcludeerd dat er geen arbeidskundige argumenten zijn om af te wijken van het resultaat van het primaire oordeel. Onder verwijzing naar deze rapportages heeft het Uwv bij besluit van 19 juni 2008 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 januari 2008 ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit 3).

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij, gelet op de beschikbare medische gegevens waaronder het rapport van 21 april 2009 van de door haar ingeschakelde orthopedisch chirurg J.H. Postma en het rapport van de eveneens door haar ingeschakelde internist dr. Th.M. Erwteman van 9 september 2009, van oordeel is dat er geen redenen zijn te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 31 oktober 2006. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden om de geduide functies voor appellante niet geschikt te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv mitsdien de bestaande mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op en na 31 oktober 2006 terecht vastgesteld op minder dan 15% en de WAO-uitkering van appellante met ingang van die datum dus terecht ingetrokken.

3. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uitgegaan dient te worden van de functies die aan appellante zijn voorgehouden in het kader van het besluit van 13 oktober 2006, waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 31 oktober 2006 is ingetrokken vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in uitspraak 1 heeft overwogen, heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellante voor die functies geschikt moet worden geacht.

4. Bij de aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de conclusies van de door haar ingeschakelde onder 2 genoemde deskundigen heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen redenen zijn te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 22 februari 2007. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden om de geduide functies voor appellante niet geschikt te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv mitsdien de bestaande mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op en na 22 februari 2007 terecht vastgesteld op minder dan 15% en op goede gronden geweigerd de WAO-uitkering van appellante te herzien.

5. De gronden in hoger beroep tegen de drie aangevallen uitspraken komen er - samengevat - op neer dat het Uwv bij het vaststellen van de beperkingen van appellante onvoldoende rekening heeft gehouden met haar klachten ten gevolge van haar vitamine B12 tekort alsmede met haar fibromyalgieklachten en haar psychische klachten. Voorts is appellante van mening dat ten onrechte geen nader onderzoek naar haar psychische klachten is verricht en heeft zij in haar standpunt volhard dat zij op medische gronden niet in staat is om de haar geduide functies te vervullen.

6. De Raad overweegt als volgt.

10/1784 WAO en 10/1785 WAO

6.1. De door de rechtbank als deskundigen geraadpleegde orthopedisch chirurg Postma en internist Erwteman hebben zich volledig kunnen vinden in de vaststelling van de belastbaarheid van appellante op 31 oktober 2006 en 22 februari 2007, als neergelegd in de FML van 8 mei 2006. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht de door haar ingeschakelde deskundigen heeft gevolgd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat er gebreken kleven aan de onderzoeken of aan de conclusies die uit die onderzoeken voortkomen. In zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere feiten en omstandigheden aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. De Raad is van oordeel dat in het geval van appellante daartoe geen aanleiding bestaat, aangezien beide deskundigen zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de deskundigen hun conclusies hebben gebaseerd op eigen onderzoek, op de zich in het dossier bevindende (uitgebreide) medische informatie en op de bij de behandelende sector nader opgevraagde informatie. Uitgaande van het feit dat appellante met betrekking tot de door haar gestelde psychische klachten door haar behandelaars niet eerder is verwezen naar een psychiater, ziet de Raad evenals de rechtbank geen reden om alsnog een deskundige te benoemen voor het laten uitbrengen van een psychologische, c.q. psychiatrische expertise.

6.2. Wat betreft de geschiktheid van appellante voor de geduide functies op en na de data 31 oktober 2006 en 22 februari 2007 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat op basis van de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige Diergaarde van 11 januari 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige Politon van 17 juni 2008 voldoende inzichtelijk en toetsbaar is toegelicht dat appellante in staat moet worden geacht deze functies te vervullen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.

6.3. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken 1 en 3 voor bevestiging in aanmerking komen.

10/1783 ZW

6.4. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

6.5. In het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellante op een ZW-uitkering hebben de verzekeringsarts J.B. Tuinhof de Moed en de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn de medische toestand van appellante op 8 oktober 2007 vergeleken met haar belastbaarheid op 31 oktober 2006 en op 22 februari 2007, zoals omschreven in de FML van 8 mei 2006. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 18 december 2007 voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellante met ingang van 8 oktober 2007 in staat moet worden geacht tot het verrichten van haar arbeid in vorenbedoelde zin, zijnde in dit geval de in het kader van de WAO geduide functie van productiemedewerker textiel (sbc 272043). Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is niet met nieuwe medische gegevens onderbouwd en kan de Raad derhalve niet tot een ander oordeel leiden.

6.6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.4 en 6.5 is overwogen, komt de aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK