Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4784

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
10-.4871 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overneming pensioenpremie. De pensioenpremie die werkgever op grond van het vierde onderdeel van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst moest betalen betrof de opbouw van de pensioenaanspraak van appellant over de periode van 1 januari 2006 tot 1 mei 2007 en is niet toe te rekenen aan het refertejaar. Voor het Uwv bestond geen overnemingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4871 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 juli 2010, 10/1018 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1 januari 2006 werkzaam bij [naam werkgever 1]. [werkgever 1] had ten behoeve van appellant een pensioenvoorziening getroffen bij Centraal Beheer Achmea (CBA). [werkgever] voldeed niet aan haar verplichting om de pensioenpremie aan CBA af te dragen, terwijl op het salaris van appellant wel een werknemersbijdrage werd ingehouden. Op 1 mei 2007 is appellant door overgang van rechtswege in dienst gekomen bij [naam werkgever 2].

[werkgever 2] heeft de pensioenvoorziening bij CBA voortgezet en de verplichting op zich genomen om de achterstallige pensioenpremie over de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 april 2007 in acht maandelijkse betalingen te voldoen. [werkgever 2] heeft zich niet aan die verplichting gehouden en heeft evenmin de op het salaris van appellant ingehouden werknemersbijdrage aan CBA afgedragen.

1.2. [werkgever 2] is op 27 mei 2008 in staat van faillissement verklaard, waarna de curator appellant bij brief van 29 mei 2008 ontslag heeft aangezegd.

1.3. In verband met het faillissement van [werkgever 2] heeft het Uwv naar aanleiding van een aanvraag van appellant op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) een uitkering toegekend ter zake van loon, vakantietoeslag, niet opgenomen vakantiedagen en een aantal andere betalingsverplichtingen van de werkgever.

1.5. Bij besluit van 30 oktober 2009 heeft het Uwv appellant ervan in kennis gesteld dat hem een uitkering wordt toegekend in verband met de op zijn salaris ingehouden werknemersbijdragen. Beslissend op het bezwaar van appellant heeft het Uwv dit besluit niet gehandhaafd. Bij besluit van 17 februari 2010 heeft het Uwv nader bepaald dat appellant recht heeft op vergoeding van de door [werkgever 2] verschuldigde pensioenpremies over een onmiddellijk voorafgaande aan de voor hem geldende termijn van opzegging, welke periode het Uwv om praktische redenen heeft bepaald op het jaar van 1 mei 2007 tot 1 mei 2008. De verplichting die [werkgever 2] op zich had genomen tot het betalen van de pensioenpremie over de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 april 2007 wordt door het Uwv niet overgenomen omdat deze buiten de periode viel.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn beroepsgrond herhaald dat ook de verplichting van [werkgever 2] om de door [werkgever] onbetaald gelaten pensioenpremie te voldoen voor overname in aanmerking komt, omdat die betaling vanaf 1 mei 2007 had moeten plaatsvinden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het Uwv op goede gronden niet is overgegaan tot overneming van de door [werkgever 2] aan CBA verschuldigde pensioenpremie over de periode van 1 januari 2006 tot 1 mei 2007.

4.2. In artikel 61 van de WW is bepaald dat een werknemer recht op uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW heeft, indien hij, voor zover hier van belang, geldelijk nadeel ondervindt doordat de werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald. Op grond van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW komen de bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de datum waartegen de dienstbetrekking is opgezegd voor overname in aanmerking.

4.3. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de verplichting tot overname van aan derden verschuldigde bedragen zich beperkt tot de bedragen die kunnen worden toegerekend aan het in 4.2 genoemde refertejaar. Onder andere in zijn uitspraak van 8 september 2010, LJN BN6384, heeft de Raad overwogen dat het bij bedragen die een werkgever in verband met een getroffen pensioenvoorziening onbetaald heeft gelaten, niet gaat om de periode waarin de betalingsverplichting van de werkgever is ontstaan maar om de periode waarop de aanspraak van de werknemer betrekking heeft. De pensioenpremie die [werkgever 2] op grond van het vierde onderdeel van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst moest betalen (de door [werkgever] niet betaalde pensioenpremie) betrof de opbouw van de pensioenaanspraak van appellant over de periode van 1 januari 2006 tot 1 mei 2007 en is niet toe te rekenen aan het refertejaar. Voor het Uwv bestond geen overnemingsverplichting.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) T.J. van der Torn.

NW