Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
09-2834 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Fibromyalgie. Er zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts uitgebreide beperkingen aangenomen waarmee de deels subjectief toegenomen klachten voldoende gehonoreerd zijn en waarmee de eerder toegekende urenreductie gecompenseerd wordt. Geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden. Geen nieuwe medische informatie ingebracht die aanleiding zou kunnen zijn voor twijfel aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen van appellante. Voldoende inzichtelijk dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet overtreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2834 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 april 2009, 08/1171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.G. Mostert hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011.

Appellente is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde mr. Mostert.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in verband met klachten aan het bewegingsapparaat, fibromyalgie door het Uwv met ingang van 10 januari 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering welke vanaf 22 mei 2002 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Daarbij is rekening gehouden met een urenbeperking van 32 uur per week.

1.2. Ter uitvoering van artikel 34, vierde lid, van de WAO, zoals dat destijds luidde, heeft een herbeoordeling plaatsgevonden aan de hand van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (aSB). Op grond van de resultaten van deze herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 8 september 2006 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 7 november 2006 vastgesteld op minder dan 15%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 9 januari 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Ter uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de WAO heeft een herbeoordeling plaatsgevonden van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op en na 22 februari 2007 aan de hand van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat gold tot 1 oktober 2004 (oSB). Bij besluit van 11 december 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 22 februari 2007 vastgesteld op 25 tot 35% en appellante per die datum weer een WAO-uitkering toegekend. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 juni 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische onderbouwing zoals gegeven door bezwaarverzekeringsarts K. Corten in haar rapportage van 6 juni 2008 onderschreven. De rechtbank heeft daarbij in de in beroep door appellante overgelegde expertise van

J.J. Nasheed-Lissen van 22 september 2008 geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de door het Uwv vastgestelde beperkingen evident onjuist zijn. De rechtbank heeft voorts onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige F. Schreijer van 25 juni 2008 de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven.

3. In hoger beroep herhaalt appellante de gronden van beroep. Zij blijft van mening dat met medische gronden haar stelling is onderbouwd dat haar medische situatie niet is verbeterd. Het Uwv heeft dan ook niet op goede gronden tot het oordeel kunnen komen dat een destijds vastgestelde urenreductie niet langer noodzakelijk is terwijl de regelgeving op basis waarvan tot die urenreductie is gekomen niet is gewijzigd. Volgens appellante is dit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (vgl. de uitspraak van 10 december 2009, LJN: BK7045) kan het Uwv in beginsel niet de bevoegdheid worden ontzegd om terug te komen van een in het verleden ingenomen standpunt, ook al zijn de feitelijke omstandigheden niet gewijzigd. Vereist is daarbij wel dat voor die wijziging van standpunt een voldoende draagkrachtige motivering wordt gegeven.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportage van 6 juni 2008 en nadien nogmaals in haar rapportages van 20 oktober 2008 en 20 maart 2009 uiteengezet dat er geen aanleiding is voor een urenreductie. Gelet op de in het dossier aanwezige medische stukken waaronder informatie van de huisarts en behandelend reumatoloog ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat onvoldoende medisch objectiveerbare problematiek aanwezig is voor een urenreductie en dat appellante niet voldoet aan de in de Standaard Verminderde Arbeidsduur genoemde criteria. Er zijn volgens de bezwaarverzekeringsarts uitgebreide beperkingen aangenomen waarmee de deels subjectief toegenomen klachten voldoende gehonoreerd zijn en waarmee de eerder toegekende urenreductie gecompenseerd wordt. De Raad ziet in het geheel van medische gegevens in het dossier geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden. Appellante heeft verder in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht die voor de Raad aanleiding zou kunnen zijn voor twijfel aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen van appellante.

4.3. De vraag tot slot of de aan appellante voorgehouden functies in medisch opzicht voor appellante geschikt te achten zijn, beantwoordt de Raad bevestigend. De rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige F. Schreijer van 25 juni 2008 maakt voldoende inzichtelijk dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellante niet overtreft.

5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

EV