Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4779

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
10-2370 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht (meer) op ziekengeld. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Standpunt op inzichtelijke wijze medisch onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2370 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 maart 2010, 09/4431 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is met ingang van 17 december 2008 ingetrokken, omdat hij geschikt werd geacht voor passende functies waarmee het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg. Op 9 juni 2009 heeft appellant zich, vanuit de situatie waarin hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met urologische klachten.

1.2. Appellant is op 7 augustus 2009 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts L.I. Cools, die appellant na eigen onderzoek per 10 augustus 2009 geschikt heeft geacht voor de in het kader van de WAO geduide functies. Volgens deze arts is er sprake geweest van een nieuwe ziekte-oorzaak die met de tijd genezen is, maar die restklachten vertoont waarmee gewone arbeid mogelijk is. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 7 augustus 2009 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 10 augustus 2009 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

1.3. Bij besluit van 28 september 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 augustus 2009, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon van 25 september 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen, nu het Uwv bij zijn beoordeling de beschikking heeft gehad over informatie van de huisarts en van de GGZ. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant zelf geen medische informatie heeft ingebracht die aanleiding zou kunnen geven te twijfelen aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dan ook op goede gronden het recht van appellant op ziekengeld beëindigd.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij reeds in beroep heeft aangevoerd, gesteld dat bij het onderzoek bepaalde (lichamelijke) beperkingen onderbelicht zijn gebleven. Omdat hij al lang bekend is met uiteenlopende klachten, waaronder psychische klachten en klachten aan de urinewegen, meent hij dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de vastgestelde beperkingen. In dat verband stelt hij zich op het standpunt dat het Uwv ten onrechte geen deskundige heeft ingeschakeld op het specifieke terrein van zijn (psychische) klachten.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van de gronden die hij reeds in beroep heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad is het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig geweest. Op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie van de behandelend sector heeft de bezwaarverzekeringsarts het oordeel van de verzekeringsarts herbeoordeeld. De informatie van de huisarts en van de GGZ zijn meegewogen in die beoordeling, waarbij is geconstateerd dat daaruit geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen. De ingebrachte informatie van de GGZ bevestigde het oordeel van de verzekeringsarts en in de verwijsbrief van de huisarts staan de medische gegevens, waaronder het medisch journaal, de huidige probleemlijst en de voorgeschiedenis. Uit de brief van de GGZ blijkt dat bij appellant geen sprake is van PTSS of van psychotische verschijnselen. Gelet op de verkregen medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad in zijn rapportage van 25 september 2009 voldoende overtuigend en op inzichtelijke wijze medisch onderbouwd om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant vanaf 10 augustus 2009 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Nu appellant zijn in hoger beroep herhaalde standpunt, dat zijn beperkingen onderbelicht zijn gebleven, niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.2. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) T. Dolderman.

EV