Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4776

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
09-3375 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens aangedragen die twijfel doen rijzen aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant is schriftelijk uitgenodigd voor een hoorzitting te houden door de bezwaarverzekeringsarts en hij is daarbij erop gewezen dat tijdens of na de hoorzitting een medisch onderzoek zou kunnen plaatsvinden. Deze gang van zaken staat niet op gespannen voet met de door appellant aangehaalde uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Ratio van de hoorplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3375 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 mei 2009, 08/2280 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak zijn de voor dit geding relevante feiten als volgt weergegeven:

“Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als meewerkend postmentor pakket dienst TGP/TNT voor 40 uur per week. Eiser heeft zich op 1 december 2003 ziek gemeld in verband met rugklachten. Per einde wachttijd is eiser voor minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht in het kader van de WAO. Na bezwaar en beroep is dit besluit gehandhaafd (…) Vervolgens heeft eiser met ingang van 1 december 2005 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW-uitkering) ontvangen van waaruit eiser zich per 24 april 2007 heeft ziek gemeld met toegenomen rugklachten. De WW-uitkering van eiser is per 31 mei 2007 beëindigd.

Bij de beoordeling van de ziekmelding per 24 april 2007 concludeert de verzekeringsarts dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid en dat eiser voor minstens één van de geduide functies in het kader van de WAO-beoordeling geschikt wordt geacht.

Op 1 juli 2007 is eiser tijdens een verblijf in Turkije op zijn gezicht op de rotsen gevallen ten gevolge waarvan eiser fracturen in het gelaat heeft opgelopen.”

1.2. De Raad heeft bij uitspraak van 10 april 2009 (geding 07/3118 WAO, LJN BI0986) het besluit van het Uwv van 17 november 2006 – waarbij de weigering om appellant per 28 februari 2005 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen is gehandhaafd – vernietigd maar de rechtsgevolgen van dit besluit in stand heeft gelaten.

2. Bij besluit van 11 november 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 7 augustus 2007, aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 5 november 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen reden om de bevindingen van de betrokken bezwaarverzekeringsartsen voor onjuist te houden. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens aangedragen die twijfel doen rijzen aan deze bevindingen. Uit de beschikbare medische gegevens blijkt genoegzaam dat appellant op de datum in geding 5 november 2007 weer zodanig was hersteld van een ongeluk op 1 juli 2007 dat hij in staat was zijn arbeid, zijnde één van de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies, te verrichten. Uit de medische gegevens blijkt verder dat appellants psychische klachten op de datum in geding niet zo ernstig waren dat hij als gevolg daarvan niet in staat was één van vorenbedoelde functies te vervullen.

4.2. De Raad heeft verder in zijn uitspraak van 1 juli 2003, LJN AH9929 geoordeeld dat het niet ongeoorloofd is om in daarvoor in aanmerking komende ziektewetzaken het nader medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts tevens als hoorzitting te laten functioneren, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de door de wetgever beoogde functie van de hoorplicht, de gang van zaken voor alle betrokkenen duidelijk is en ook overigens wordt voldaan aan de wettelijke bepalingen ter zake van het horen. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant schriftelijk is uitgenodigd voor een hoorzitting te houden door de bezwaarverzekeringsarts en dat hij daarbij erop is gewezen dat tijdens of na de hoorzitting een medisch onderzoek zou kunnen plaatsvinden. Deze gang van zaken staat naar het oordeel van de Raad niet op gespannen voet met de door appellant aangehaalde uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.

4.3. Ten aanzien van appellants grief dat het Uwv hem na de eerdere gegrondverklaring van het beroep door de rechtbank in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord is de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 6 november 2002, LJN: AF1658, van oordeel dat de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meebrengt dat een belanghebbende in beginsel in de gelegenheid moet worden gesteld zijn bezwaren mondeling naar voren te brengen. In een geval als het onderhavige, waarbij een beslissing op bezwaar, waarbij de belanghebbende die gelegenheid reeds is geboden, door de rechter in beroep wordt vernietigd, zal bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, gegeven de hiervoor weergegeven ratio van de hoorplicht, onder omstandigheden ook buiten de gevallen genoemd in artikel 7:3 van de Awb van het horen mogen worden afgezien. Dat zal met name het geval zijn indien in redelijkheid kan worden verwacht, gezien de afwezigheid van nieuwe feiten of gegevens, dat het opnieuw horen van de belanghebbende tot niet meer zal kunnen leiden dan een herhaling van de reeds eerder naar voren gebrachte bezwaren. Dit in aanmerking genomen bestond hier naar het oordeel van de Raad geen noodzaak appellant opnieuw te horen.

4.4. De Raad overweegt verder dat van de inlichtingen van de behandelend sector welke de bezwaarverzekeringsarts ter beschikking stonden bij het uitbrengen van zijn rapport van 10 november 2008, mag worden aangenomen dat deze feiten en omstandigheden bevatten die appellant bekend zijn. Als zodanig behoeven dergelijke inlichtingen, verkregen na de hoorzitting en voor het nemen van de beslissing op bezwaar, niet te worden meegedeeld.

5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoel in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

RK