Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
10-1061 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. “Zijn arbeid”, Geschiktheid voor één van de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1061 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 6 januari 2010, 09/3266 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van den Buijs, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011.

Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. D.H.S. Krouwel, kantoorgenoot van mr. Van den Buijs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde J.L. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, voorheen werkzaam als inpakster groenten, heeft zich op 10 januari 2000 ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten, duizeligheid en flauwvallen. Het Uwv heeft appellante in verband hiermee in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is bij besluit van 14 december 2006 per 12 februari 2007 ingetrokken. Appellante werd destijds ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van haar beperkingen de functies van schoonmaker hotel, huishoudelijk medewerker en medewerker tuinbouw en onder meer de reservefunctie van productiemedewerker metaal te verrichten.

1.2. Op 12 november 2008 heeft appellante zich, vanuit de situatie waarin zij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld met toegenomen psychische klachten, flauwvallen alsmede rugklachten. Na medisch onderzoek op 27 januari 2009 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen reden is om aan te nemen dat er sinds de laatste WAO-beoordeling een toename is van beperkingen en appellante vervolgens per 3 februari 2009 geschikt geacht voor tenminste één van de eerder geduide functies, te weten de productiemedewerker metaal. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 27 januari 2009 beslist dat appellante met ingang van 3 februari 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in diens rapportage van 2 april 2009 - bij besluit van 2 april 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en heeft voorts geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 2 april 2009 afdoende heeft gemotiveerd waarom appellante in staat geacht moet worden tot het verrichten van haar arbeid. De rechtbank had daarbij voorts geen aanknopingspunten om te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 13 oktober 2009 dat de door appellante in beroep overgelegde informatie van Ipsy van 29 juli 2009 geen aanleiding geeft om de aangenomen belastbaarheid te wijzigen nu er reeds rekening is gehouden met een verminderde psychische belastbaarheid.

3. In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunt dat haar klachten door het Uwv worden onderschat en dat haar functionele mogelijkheden worden overschat. Onder overlegging van een brief van Ipsy van 24 februari 2010 stelt appellante zich op het standpunt dat het lastig is om een diagnose te stellen en dat de zwaarte van de psychische problematiek wordt onderschat.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. In dit geval is dat de hiervoor genoemde arbeid die voor appellante vanaf

12 februari 2007 als passend kan worden aangemerkt. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.3. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad onderschrijft de daartoe de in de aangevallen uitspraak uitvoerig weergegeven overwegingen en maakt deze tot de zijne. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde informatie van Ipsy van 24 februari 2010 onderschrijft de Raad het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 7 april 2010 dat de diagnostiek kennelijk nog niet geheel rond is, maar dat de beschreven psychische klachten en sociale problematiek alle al bekend zijn en geen nieuwe gezichtspunten opleveren. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de Raad voor de nog – met instemming van de gemachtigde van het Uwv – ter zitting overgelegde brief van de behandelend neuroloog van 31 augustus 2010 waarin geconcludeerd wordt tot recidiverende wegrakingen.

5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

RK