Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
09-6200 ZW + 10-6832 ZW + 10-6833 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Geschiktheid voor zijn eigen werk, zijnde een van de in het kader van de eerdere WAO-beoordeling passend bevonden functies. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag. Terugvordering teveel betaalde ZW- en TW-uitkering. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6200 ZW + 10/6832 ZW + 10/6833 TW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Dordrecht van 9 oktober 2009, 08/1279 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 5 november 2010, 09/1616 en 09/1617 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

09/6200 ZW

Namens appellant heeft mr. J.J.S. Engelvaart, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij fax-bericht van 31 maart 2011 heeft mr. B.J. Manspeaker zich in plaats van mr. Engelvaart als gemachtigde van appellant gesteld.

Bij brief van 17 juni 2011 zijn namens appellant nadere stukken in het geding gebracht.

10/6832 ZW + 10/6833 TW

Namens appellant heeft mr. M.C.M. van der Mark, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 29 juni 2011, waar namens appellant is verschenen mr. B.J. Manspeaker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

09/6200 ZW

1. Appellant was werkzaam als medewerker groenvoorziening bij de gemeente Dordrecht toen hij op 5 september 1999 uitviel ten gevolge van uiteenlopende lichamelijke klachten. Per 4 september 2000 werd hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid laatstelijk per 11 november 2001 is vastgesteld op 15 tot 25%. Op 6 juni 2008 heeft hij zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens maagklachten. Op 7 juli 2008 en

11 september 2008 heeft appellant het spreekuur van de verzekeringarts F. Rooijers bezocht, die tot de conclusie is gekomen dat appellant met ingang van 16 september 2008 geschikt moet worden geacht voor zijn eigen werk, zijnde een van de in het kader van de eerdere WAO-beoordeling passend bevonden functies. Bij besluit van

11 september 2008 is appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 16 september 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.

2. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts J.B. van der Heemst, bij besluit van 15 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak, heeft de rechtbank -samengevat- het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat zij geen reden ziet om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden en dat zij evenmin aanleiding ziet voor de conclusie dat sprake is van een onzorgvuldig medisch onderzoek. De rechtbank is, mede gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 april 2009, van oordeel dat het Uwv voldoende gemotiveerd heeft aangetoond dat appellant op de datum in geding in staat moet worden geacht de functie van coupeuse te verrichten.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling zorgvuldig heeft geacht nu door de artsen van het Uwv ten onrechte geen informatie bij de behandelend sector is opgevraagd. Voorts stelt appellant dat de rechtbank ten onrechte de juistheid van de beperkingen, zoals vastgesteld in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 8 mei 2003, heeft onderschreven. Tot slot stelt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in staat moet worden geacht om per 16 september 2008 het werk als coupeuse te verrichten.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

5.2. In dit geval geldt als zijn “arbeid” ten minste één van de hiervoor in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies.

5.3. De verzekeringarts Rooijers heeft appellant op 7 juli 2008 onderzocht en heeft appellant, in afwachting van de resultaten van het gastroscopie onderzoek, arbeidsongeschikt geacht. Appellant heeft op 11 september 2008 wederom het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht en deze arts heeft, rekening houdende met de uitslag van het gastroscopie onderzoek en informatie van de huisarts, geoordeeld dat de klachten van appellant, waaronder rug- en hand/polsklachten, er niet aan in de weg staan om zijn eigen werk te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts Van der Heemst, die appellant eveneens heeft onderzocht, heeft de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven. Ten aanzien van het bezwaar van appellant dat de verzekeringsarts met betrekking tot de rug- en polsklachten geen onderzoek heeft verricht stelt de bezwaarverzekeringsarts dat dit gebrek in het kader van de heroverweging in bezwaar gerepareerd is. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich in zijn rapport voorts op het standpunt gesteld dat in de FML van 8 mei 2003, welke mede ten grondslag ligt aan de herziening van appellants WAO-uitkering per 11 november 2001, al in ruime mate tegemoet gekomen is aan de beperkingen voortkomend uit de pols- en handklachten welke worden veroorzaakt door een lunato lunatomalacie. De rugklachten van appellant komen naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts niet voort uit een rugafwijking maar worden (mede) veroorzaakt door adipositas en een slecht ontwikkeld spiercorset. Tot slot heeft hij geoordeeld dat hij geen aanleiding ziet tot wijziging van het primair verzekeringsgeneeskundige oordeel met betrekking tot de hersteldmelding voor de geduide functies per 16 september 2008.

5.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de klachten van appellant en dat deze arts in voldoende mate heeft aangetoond dat hij ondanks deze klachten geschikt moet worden geacht voor zijn eigen werk. Hierbij acht de Raad het van belang dat bezwaarverzekeringsarts Van der Heemst in zijn rapport van 18 februari 2009, in reactie op de in beroep overgelegde medische informatie van plastisch chirurg

dr. A.B. van Doorn, gemotiveerd heeft gesteld dat in de FML van 8 mei 2003 beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van beide polsen/handen en voorts dat appellant ten tijde van het opstellen van deze FML al niet geschikt geacht werd voor zware fysieke arbeid met de handen. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Dit geldt ook voor de door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie, waarbij de Raad heeft geoordeeld dat zowel de bezwaarverzekeringsarts als de orthopedisch chirurg dr. F. Verstreken concluderen dat appellant vanwege zijn polsklachten beiderzijds niet in staat is zware arbeid te verrichten. Dit betekent dat het Uwv terecht met ingang van 16 september 2008 het ziekengeld van appellant heeft beëindigd en dat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 terecht ongegrond heeft verklaard.

5.5. Gelet op het vorenstaande en met name gelet op de consistente medische gegevens van zowel de behandelend sector als de verzekeringsartsen van het Uwv, ziet de Raad geen reden om, zoals ter zitting namens appellant verzocht, een nader deskundige onderzoek te gelasten.

5.6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.

10/6832 ZW + 10/6833 TW

5.1. Appellant ontving sinds 4 september 2000 een uitkering ingevolge de WAO, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Daarnaast ontving hij sinds 29 juni 2008 een uitkering ingevolge de ZW en vanaf 30 juni 2008 een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW).

5.2. Bij bestreden besluit 1 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de ZW ingetrokken, omdat appellant per 16 september 2008 niet langer ongeschikt werd geacht voor het verrichten van zijn arbeid.

6.1. Bij afzonderlijke besluiten van 7 juli 2009 heeft het Uwv vastgesteld dan ten onrechte ZW- en TW-uitkering is verstrekt over de periode van 16 september 2009 (lees: 2008) tot en met 25 januari 2009 en dat de desbetreffende uitkeringen zijn ingetrokken. Deze uitkeringen zijn als onverschuldigd betaald teruggevorderd van appellant tot een bedrag van in totaal (€4.446,55 + €1.905,87=) €6.352,42.

6.2. Het bezwaar dat appellant tegen deze twee besluiten heeft ingediend is bij afzonderlijke besluiten van 21 oktober 2009 (hierna: bestreden besluit 2 en bestreden besluit 3) door het Uwv ongegrond verklaard en de besluiten van 7 juli 2009 zijn gehandhaafd.

7. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het tegen bestreden besluit 2 en bestreden besluit 3 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

8. In hoger beroep zijn de in eerdere aanleg aangevoerde stellingen herhaald. Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte oordeelt dat appellant het Uwv diende te informeren over de doorbetaling van de uitkeringen. Voorts stelt appellant dat de rechtbank ten onrechte oordeelt dat appellant bewust het risico nam dat hij de uitkering moest terugbetalen. Tevens stelt appellant dat de rechtbank ten onrechte oordeelt dat de financiële situatie van appellant geen dringende reden is om van terugvordering af te zien. Appellant komt door de terugvordering in een zeer nadelige positie nu hij over de periode 16 september 2009 (lees: 2008) tot 25 januari 2009 in het geheel geen vervangend inkomen kan krijgen. Indien op de bijstandsuitkering van appellant gekort wordt dan zal hij voor vele jaren onder het bijstandsniveau komen te leven. Deze ernstige sociale en financiële problemen zijn redenen op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien.

9. De Raad overweegt als volgt.

9.1. Nu de Raad in zijn overwegingen met betrekking tot bestreden besluit I heeft geoordeeld dat het Uwv terecht met ingang van 16 september 2008 het ziekengeld van appellant heeft beëindigd en dat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 terecht ongegrond heeft verklaard, staat de onverschuldigdheid van hetgeen aan appellant over de periode in geding aan ZW-uitkering en uitkering ingevolge de TW in rechte vast.

9.2. Voorts zijn niet in geschil de periode waarover wordt teruggevorderd, namelijk vanaf 16 september 2008 tot 25 januari 2009 en de hoogte van de terugvordering, te weten een bedrag van €4.446,55 in het kader van de ZW en €1.905,87 in het kader van de TW.

9.3. Terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald, is voor het Uwv een wettelijke verplichting, waarop ingevolge artikel 33, vierde lid van de ZW en artikel 20, vierde lid van de TW, slechts een uitzondering mogelijk is in geval van dringende redenen. In vaste rechtspraak is het oordeel neergelegd dat het hierbij -naar ook blijkt uit de parlementaire geschiedenis- om uitzonderingen gaat waarbij als gevolg van de terugvordering voor een betrokkene onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties optreden.

9.4. De omstandigheid dat appellant meende dat de bedragen ingevolge de ZW en de TW hem toekwamen wegens het instellen van bezwaar en beroep tegen bestreden besluit 1 en dat hij daardoor de bedragen te goeder trouwen heeft ontvangen leidt niet tot een dringende reden als in de vorige overweging bedoeld.

9.5. Ook de aanvoerde financiële omstandigheden, waaronder het door appellant vele jaren onder bijstandsniveau moeten leven bij korting op de bijstandsuitkering ter aflossing van het teruggevorderde bedrag, kunnen niet leiden tot een dringende reden, nu dit aspecten zijn die moeten worden meegewogen bij de vaststelling van de (maandelijkse) aflossingscapaciteit van appellant.

9.6. Uit hetgeen is overwogen onder 9.1 tot en met 9.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

10. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) T. Dolderman.

RK