Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
10-5911 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering is terecht. Appellant heeft geen arbeidsurenverlies geleden en is dus niet werkloos. Geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging gedaan, dat appellant ondanks de werkaanvaarding nog aanspraak kan maken op een WW-uitkering ter compensatie van het verlies aan inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5911 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 september 2010, 10/2770 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. G.H. Dasselaar hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2011. Namens appellant is verschenen drs. Dasselaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuijt.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 november 1998 voor 36 uur in dienst getreden van [naam B.V.] laatstelijk tegen een salaris van € 2.209,- en een gemiddelde bonus van € 300,- per maand. Bij beschikking van 3 september 2009 heeft de kantonrechter deze arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 oktober 2009, onder toekenning aan appellant van een vergoeding van € 12.514,77 bruto.

1.2. Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant tot en met

30 november 2009 nog geen uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) kon krijgen.

1.3. Op 1 december 2009 is appellant in dienst getreden van [naam B.V,] (I[b.v.]) in de functie van telefonisch verkoper tegen een salaris van € 1.500,- per maand en een bonus afhankelijk van de door hem te realiseren maandelijkse verkopen.

1.4. Bij besluit van 1 december 2009 is appellant met ingang van die datum WW-uitkering ontzegd omdat appellant per 1 december 2009 geen arbeidsurenverlies heeft geleden en dus niet werkloos wordt geacht in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WW. Bij besluit van 7 april 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 december 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet voldoet aan het criterium van werkloosheid, aangezien er geen sprake is van arbeidsurenverlies. De rechtbank heeft voorts geconcludeerd dat niet aannemelijk is geworden dat er een toezegging is gedaan aan appellant op grond waarvan hij, buiten de regels van de WW, recht kan doen gelden op een WW-uitkering.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 1 december 2009 werkzaamheden is gaan verrichten voor 40 uur per week en dat dit met zich brengt dat appellant geen arbeidsurenverlies heeft geleden en dus niet werkloos is geworden in de zin van de WW. De vraag die partijen verdeeld houdt en beantwoording behoeft is of appellant met een beroep op het vertrouwensbeginsel ondanks de werkaanvaarding nog aanspraak kan maken op een (aanvullende) WW-uitkering ter compensatie van het verlies aan inkomsten. De Raad stelt daarbij voorop dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet alleen kan slagen indien vast is komen te staan dat van de zijde van het Uwv een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan, maar ook indien anderszins sprake is van een in rechte te honoreren gewekt vertrouwen.

4.2. Vaststaat dat appellant op 25 of 26 november 2009 telefonisch contact heeft gehad met de werkcoach in verband met een aan appellant aangeboden functie. In zijn e-mail van 30 november 2009 heeft de werkcoach, de heer G.H.M. [t.] appellant naar aanleiding van dit gesprek verzocht om, indien appellant de aangeboden arbeid zou aanvaarden, hem ervan op de hoogte te houden bij welke werkgever appellant werkzaam zou zijn, in wat voor functie en voor hoeveel uren per week. In reactie op deze e-mail heeft appellant de werkcoach een afschrift gezonden van zijn brief van 28 november 2009 aan het Uwv, waarin appellant de arbeidsvoorwaarden bij I[b.v.] vermeldt en de (salaris-) verschillen uiteenzet in vergelijking met zijn vorige baan. Hij heeft hierin tevens gesteld dat de werkcoach hem zou hebben verzekerd dat het aannemen van deze baan zijn aanspraken op een uitkering op zichzelf gezien niet aantast. Nu de werkcoach appellant in zijn e-mail van 30 november 2009 expliciet heeft gevraagd om hem te informeren over onder meer de omvang van de aangeboden arbeid, acht de Raad niet aannemelijk dat de werkcoach in het telefoongesprek van 25 of 26 november 2009 appellant toezeggingen heeft gedaan over de gevolgen van de aanvaarding van de functie bij I[b.v.] voor zijn recht op WW-uitkering per 1 december 2009.

4.3. Voor de stelling van appellant dat de werkcoach hem zou hebben verzekerd dat aanvaarding van de aangeboden arbeid niet aan zijn aanspraken op een WW-uitkering in de weg zou staan, is evenmin steun te vinden in de tegenover de rechtbank afgelegde verklaringen van de werkcoach en de beslisser claim Werkloosheidswet (beslisser), mevrouw K. van de [w.] De werkcoach heeft immers verklaard dat hij zich niet herinnert dat hij appellant zou hebben gezegd dat deze toch recht zou hebben op een WW-uitkering wanneer hij meer uren werkt en minder salaris ontvangt. Hij heeft tevens verklaard dat als iemand vragen had, zoals appellant die had, die persoon wordt doorverwezen. De beslisser heeft verklaard dat de werkcoach geen uitspraken doet over de vraag of iemand al dan niet recht heeft op een WW-uitkering en dat hij daartoe ook niet over de benodigde stukken beschikt.

4.4. Op grond van de beschikbare gegevens is niet komen vast te staan dat van de zijde van het Uwv bij appellant zodanige verwachtingen zijn gewekt dat daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel jegens het Uwv kan worden gebaseerd.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Bij deze uitkomst is er voor de gevraagde veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade geen ruimte.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.

(get.) G.A.J van den Hurk.

(get.) R.L. Venneman.

KR