Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
10/430 WWB + 10/482 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijzondere bijstand in de kosten van een wasmachine in de vorm van een geldlening. De kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten waarvoor men moet reserveren. Personen, die gedurende drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau hebben worden geacht geen reserveringscapaciteit te hebben, maar beschikken wel over aflossingscapaciteit. Aan deze personen kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening. Afwijzing verzoek om bijzondere bijstand. Legeskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, die de betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/430 WWB

10/482 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda, beiden van 30 december 2009, 09/1238 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 09/132 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroepen ingesteld.

De Commissie heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Voor appellant is verschenen mr. Van Asperen. De Commissie heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving van 3 mei 2006 tot 1 september 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB). Nadat de toenmalige Staatssecretaris van Justitie op 12 december 2008 aan appellant duurzaam verblijfsrecht als Burger van de Unie heeft verleend voor de duur van vijf jaar, te rekenen vanaf datum afgifte, heeft de Commissie op 22 december 2008 aan appellant en zijn echtgenote met terugwerkende kracht tot 3 mei 2006 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden.

1.2. Op 24 juli 2007 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd in de kosten van een wasmachine tot een bedrag van € 384,--. De Commissie heeft bij besluit van 13 november 2007 voor deze kosten bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening in verband waarmee appellant maandelijks een bedrag van € 59,32 dient af te lossen. Bij besluit van 19 januari 2009 heeft de Commissie het bezwaar tegen het besluit van 13 november 2007 ongegrond verklaard.

1.3. Op 9 oktober 2007 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor legeskosten in verband met verblijfsvergunningen voor hemzelf, zijn echtgenote en kinderen tot een bedrag van in totaal € 462,--. Op deze aanvraag heeft de Commissie bij besluit van 31 oktober 2007 afwijzend beslist. Bij besluit van 24 november 2008 heeft de Commissie het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2.1. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 januari 2009 ongegrond verklaard en zijn verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen.

2.2. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 24 november 2008 ongegrond verklaard en zijn verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen.

3. Appellant heeft aangevoerd dat hij ten tijde hier van belang niet beschikte over - voldoende - inkomen uit algemene bijstand, waardoor sprake is van bijzondere omstandigheden, die reden geven tot toekenning van bijzondere bijstand - om niet -.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.

Aangevallen uitspraak 1: leenbijstand in de kosten van een wasmachine

4.2. Artikel 48, eerste lid, van de WWB schrijft voor dat, tenzij in deze wet anders is bepaald, de bijstand wordt verleend om niet. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de WWB kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, danwel in de vorm van een bedrag om niet. Het tweede lid van artikel 51 van de WWB geeft regels omtrent de afstemming van de aflossingsbedragen en de termijn van de aflossing van de geldlening. Een wasmachine is een noodzakelijk duurzaam gebruiksgoed. De Commissie is derhalve bevoegd de gevraagde bijzondere bijstand toe te kennen in de vorm van een geldlening.

4.3. De Commissie voert in geval van kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen het beleid dat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten waarvoor men moet reserveren. Personen, die gedurende drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau hebben worden geacht geen reserveringscapaciteit te hebben, maar beschikken wel over aflossingscapaciteit. Aan deze personen kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening.

4.4. Buiten geding is dat de Commissie heeft gehandeld overeenkomstig haar beleid door appellant bijzondere bijstand toe te kennen in de kosten van een wasmachine in de vorm van een geldlening.

4.5. Appellant stelt dat hij op het moment van de aanvraag op 24 juli 2007, in bijzondere omstandigheden verkeerde omdat hij toen met zijn echtgenote en kinderen moest rondkomen van een inkomen uit bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellant niet in deze stelling. Buiten geding is dat appellant ten tijde hier van belang over aflossingscapaciteit beschikte. De onder 1.1 vermelde omstandigheid dat appellant in december 2008 met terugwerkende kracht tot 3 mei 2006 bijstand is toegekend naar een hogere norm leidt niet tot een ander oordeel. De Raad merkt nog op dat uit de gedingstukken volgt dat de Commissie toen appellant met ingang van 1 september 2007 geen algemene bijstand meer ontving de aflossing van de lening heeft opgeschort en dat, nadat in december 2008 opnieuw bijstand is toegekend de lening is afgelost.

Aangevallen uitspraak 2: de afwijzing van het verzoek om bijzondere bijstand in legeskosten

4.6. Naar vaste rechtspraak van de Raad behoren legeskosten tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, die de betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.7. Appellant stelt dat op het moment van de aanvraag op 9 oktober 2007 om bijzondere bijstand in de legeskosten sprake was van bijzondere omstandigheden omdat hij toen geen algemene bijstand meer ontving. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat ook deze stelling faalt. Appellant heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van de Commissie om inzicht te geven in zijn financiële situatie ten tijde van de onderhavige aanvraag. Voorts heeft appellant tot kort voor de aanvraag, te weten tot 1 september 2007, algemene bijstand ontvangen.

In beide zaken

5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt aangevallen uitspraak 1;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M.I. ’t Hooft en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M.C. Nijholt.

HD