Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
09-5221 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5221 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 augustus 2009, 08/1812 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van Andel, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel en C.J.W.I. van Santen, voormalig accountant van appellante. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1982 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een melding van de klantmanager van appellante dat appellante heeft verklaard dat zij de huur van haar woning van ongeveer € 560,-- per maand in contante bedragen betaalt, dat uit de bankafschriften blijkt dat de door appellante opgenomen bedragen niet hoog genoeg zijn om de huur te kunnen voldoen en dat appellante heeft verklaard regelmatig geld van haar zoons en haar broer te lenen om de huur te kunnen betalen en de geleende bedragen later weer terugstort op hun rekeningen, heeft het Team Handhaving van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, is het Suwinet geraadpleegd, zijn de bankafschriften van appellante opgevraagd, heeft appellante op 28 januari 2008 een verklaring afgelegd en is getracht op 28 januari 2008 een huisbezoek af te leggen op het woonadres van appellante, [adres 1] te [woonplaats]. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 30 januari 2008. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 18 februari 2008 de bijstand van appellante met ingang van 22 januari 2007 in te trekken en met ingang van 1 februari 2008 te beëindigen (lees: in te trekken) en de over de periode van 22 januari 2007 tot en met 31 januari 2008 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.128,65 van haar terug te vorderen. Aan het besluit ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand met ingang van 22 januari 2007 niet meer is vast te stellen.

1.3. Bij besluit van 9 mei 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 februari 2008 gegrond verklaard en dit besluit herroepen voor zover het de datum van beëindiging betreft en deze datum bepaald op 23 februari 2008. Het College heeft voor het overige de intrekking en beëindiging van de bijstand van appellante gehandhaafd. Hiertoe is, kort samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat vanaf 22 januari 2007 de huur op een keer na in contante bedragen aan de verhuurder is betaald, dat appellante de onduidelijkheid ten aanzien van de betaling van de huur in contante bedragen en de betalingen van en aan haar oudste zoon niet heeft weggenomen en dat uit de door appellante en haar accountant gemaakte overzichten nog steeds geen duidelijk inzicht bestaat in de inkomsten en uitgaven van appellante.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 9 mei 2008 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is niet duidelijk geworden wanneer en welk bedrag de zoon van appellante aan huur betaalde en verder wat de herkomst van het geld is waarmee appellante de huurtermijnen contant heeft betaald. Voor de rechtbank is evenmin duidelijk geworden wanneer en welke bedragen appellante van haar broer en zoons heeft geleend en wanneer en welke bedragen zij aan hen heeft terugbetaald. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de overgelegde schuldbekentenissen dateren van na de periode in geding. De rechtbank is van oordeel dat de door appellante gegeven verklaringen onvoldoende inzicht geven in de geldstromen op en van haar rekening en het uitgavenpatroon in relatie tot de door haar ontvangen bijstandsuitkering.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Appellante heeft aangevoerd dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Zij stelt in dat verband dat ze voldoende inzage heeft gegeven in de geldstromen door middel van het overleggen van bankafschriften en overzichten van haar inkomsten- en uitgavenpatroon. De Raad kan appellante hierin niet volgen en overweegt daartoe als volgt.

4.2. Niet in geschil is dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode niet voldoende inkomsten had om mede de huurpenningen van haar woning te betalen. Verder staat vast dat de huurpenningen gedurende de periode in geding in contante bedragen aan de verhuurder werden voldaan. De Raad is van oordeel dat appellante ook in hoger beroep geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd met betrekking tot de (herkomst van de) bedragen waarmee de huurpenningen in contanten aan de verhuurder zijn voldaan. De stelling van appellante dat haar oudste zoon financieel heeft bijgedragen aan de betaling van de huur is hiervoor onvoldoende. De Raad ziet voorts geen aanleiding tot een nader onderzoek naar de bankafschriften van de rekening van de oudste zoon, omdat deze bankafschriften geen bewijs kunnen leveren van de contante betalingen van de huurpenningen.

4.3. Reeds gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting en dat als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld of appellante ten tijde hier van belang in omstandigheden verkeerde als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd over te gaan tot intrekking van de bijstand.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Raad geen aanleiding de overige door appellante aangevoerde gronden met betrekking tot de weigering van het huisbezoek te bespreken.

4.5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M.I. ’t Hooft en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M.C. Nijholt.

HD