Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4508

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
10-846 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstandsuitkering. Verblijfsvergunning. Terugwerkende kracht. Niet in geschil is dat appellant gedurende de periode van 22 november 2006 tot 1 oktober 2007 met hulp van derden in de noodzakelijke bestaanskosten heeft kunnen voorzien. Geen sprake van een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting. Aan de eerdere toekenning en intrekking op verzoek van appellant, kan niet die waarde worden toegekend die appellant daaraan gehecht wenst te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/846 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2009, 08/2967 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.S. Jangali, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jangali en tolk M. Amer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 22 november 2006 heeft appellant zich gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Bij besluit van 2 januari 2007 heeft het College aan appellant met ingang van 22 november 2006 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Het College heeft appellant daarbij meegedeeld dat toekenning van bijstand mogelijk gevolgen heeft voor zijn verblijfspositie en dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal worden bericht dat aan appellant bijstand is verleend.

1.2. Gemachtigde van appellant heeft het College bij faxbericht van 19 januari 2007 meegedeeld dat appellant, gezien de bijzondere complexiteit van zijn verblijfsstatus en van de procedure waarin hij zich bevindt, de aanvraag om uitkering met ingang van 22 november 2006 intrekt. Indien mocht komen vast te staan dat toekenning van bijstand geen negatieve effecten heeft voor zijn verblijfsstatus, behoudt appellant zich het recht voor om in de toekomst wederom bijstand aan te vragen indien hij voldoet aan de voorwaarden waarbij, gezien de bijzondere omstandigheden van het geval, zal worden verzocht om de ingangsdatum te stellen op 22 november 2006. Tevens wordt het College verzocht de IND te informeren dat de uitkeringsaanvraag met terugwerkende kracht is ingetrokken. Bij de brief van 19 januari 2007 is een verklaring van appellant van 16 januari 2007 gevoegd waarin hij zijn gemachtigde toestemming geeft om voor hem de stappen te ondernemen om de Dienst Werk en Inkomen de bijstand met terugwerkende kracht te laten bevriezen of intrekken en dat hij uitdrukkelijk verzoekt dat DWI geen uitvoering geeft aan het besluit van 2 januari 2007 en derhalve geen gelden aan hem overmaakt. De reden daarvoor is dat hij niet met zekerheid kan inschatten of de bijstand consequenties heeft voor zijn verblijfsstatus nu en in de toekomst.

1.3. Bij besluit van 19 januari 2007 heeft het College appellant meegedeeld dat hij met ingang van 22 november 2006 geen recht meer heeft op een uitkering omdat hij schriftelijk heeft verzocht om zijn uitkering per datum toekenning te beëindigen. Onderaan het besluit is vermeld dat het gaat om een intrekkingsbesluit en dat het is gebaseerd op artikel 54, derde lid, van de WWB.

1.4. Bij besluit van 31 augustus 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie appellant meegedeeld dat hem met ingang van 30 april 2006 het verblijfsdocument “duurzaam verblijf burgers van de Unie” wordt afgegeven.

1.5. Appellant heeft zich op 1 oktober 2007 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Op het op 4 oktober 2007 ondertekende ‘Inlichtingenformulier aanvraag klant’ heeft appellant vermeld dat hij bijstand wenst met ingang van

22 november 2006. Appellant heeft daarbij verwezen naar een in kopie bijgevoegde brief van zijn gemachtigde van

21 september 2007. In die brief wordt onder verwijzing naar de brief van 19 januari 2007 het College verzocht gevolg te geven aan het besluit van 2 januari 2007. Verder is in de brief van 21 september 2007 vermeld dat, indien een formele aanvraag moet worden ingediend om de bevriezing van de uitkering ongedaan te maken, de brief moet worden aangemerkt als een aanvraag om bijstand met ingang van 22 november 2006.

1.6. Bij besluit van 30 november 2007 heeft het College appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% toegekend met ingang van 1 oktober 2007 en de aanvraag om bijstand over de periode van 22 november 2006 tot 1 oktober 2007 afgewezen.

1.7. Bij besluit van 19 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2007 ongegrond verklaard. Volgens het College zijn er in het geval van appellant geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hem met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 juni 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het enkele feit dat met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning is verleend geen bijzondere omstandigheid oplevert die het vervroegen van de ingangsdatum van de bijstand kan rechtvaardigen, dat de omstandigheid dat appellant heeft verzocht om intrekking van de bijstand voor zijn rekening en risico moet worden gelaten en dat niet is gebleken dat appellant niet in de voor hem noodzakelijke bestaanskosten heeft voorzien of aantoonbare schulden heeft moeten maken.

3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft primair aangevoerd dat hij met de brief van 19 januari 2007 niet heeft beoogd te verzoeken om intrekking van de bijstand maar om bevriezing daarvan totdat duidelijk was of de uitbetaling van bijstand gevolgen zou hebben voor zijn verblijfsrechtelijke positie. De aanvraag om bijstand van 1 oktober 2007 moet derhalve worden opgevat als het verzoek om uitbetaling van de bij het besluit van 2 januari 2007 toegekende maar naar aanleiding van de brief van 19 januari 2007 bevroren bijstand.

4.2. Naar aanleiding van deze beroepsgrond overweegt de Raad dat het besluit van 19 januari 2007, gelet op de bewoordingen ervan, niet anders kan worden opgevat dan als een intrekking van de bijstand met ingang van 22 november 2006. Appellant heeft, zoals zijn gemachtigde ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. In dit geding dient er daarom van te worden uitgegaan dat de bijstand van appellant met ingang van 22 november 2006 is ingetrokken. De beroepsgrond van appellant dat hij met de brief van 19 januari 2007 niet heeft beoogd het College te verzoeken de bijstand in te trekken, maar deze te ‘bevriezen’ is in wezen tegen de intrekking van de bijstand gericht en kan daarom in dit geding niet aan de orde komen. Gelet op de intrekking van de bijstand met ingang van 22 november 2006 heeft het College de aanvraag van 1 oktober 2007 terecht opgevat als een verzoek van appellant om hem wederom met ingang van 22 november 2006 bijstand toe te kennen. De onder 4.1 vermelde beroepsgrond treft dan ook geen doel.

4.3. Appellant heeft in hoger beroep verder aangevoerd dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden om de bijstand reeds met ingang van 22 november 2006 te laten ingaan. In dat verband heeft appellant gewezen op zijn zeer complexe verblijfsrechtelijke positie, de lange duur van de procedure inzake de vaststelling van die positie, de onzekerheid of het ontvangen van bijstand op die positie invloed zou hebben, de acties die hij heeft ondernomen om de hem toegekende bijstand te laten bevriezen en zijn slechte gezondheidstoestand. Volgens appellant is aannemelijk dat hij in de periode van 22 november 2006 tot 1 oktober 2007 niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft kunnen voorzien. Het College heeft hem bij het besluit van 2 januari 2007 immers met ingang van 22 november 2006 bijstand toegekend en derhalve vastgesteld dat hij vanaf die datum in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat de bijstand bij het besluit van 19 januari 2007 met ingang van 22 november 2006 is ingetrokken, merkt appellant op dat deze intrekking heeft plaatsgevonden omdat hij daar om heeft verzocht en niet omdat hij niet bijstandbehoevend was.

4.4. Naar aanleiding van deze beroepsgrond overweegt de Raad als volgt.

4.4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Artikel 11, tweede lid, van de WWB bepaalt dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

4.4.2. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

4.4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.4.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 24 mei 2011, LJN BQ8031) kan van bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht bijstand te verlenen sprake zijn indien aan een vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning wordt verleend en hij aannemelijk maakt dat hij over de periode vanaf de ingangsdatum van de verblijfsvergunning tot aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden niet in de noodzakelijke bestaanskosten heeft voorzien. Het complementaire karakter van de WWB brengt mee dat betrokkene dan aannemelijk dient te maken dat derden feitelijk in die kosten hebben voorzien en hij om die reden een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting is aangegaan, alsmede dat, indien hij hierin slaagt, de bijstandsverlening beperkt dient te blijven tot de hoogte van die reële schuld. Dit is niet anders indien het gaat om een vreemdeling, zoals appellant, aan wie met terugwerkende kracht het verblijfsdocument “duurzaam verblijf burgers van de Unie” wordt afgegeven.

4.4.5. Niet in geschil is dat appellant gedurende de periode van 22 november 2006 tot 1 oktober 2007 met hulp van derden in de noodzakelijke bestaanskosten heeft kunnen voorzien. Aangezien appellant omtrent het bestaan van een schuld tegenover die derden niets heeft gesteld, is niet aan de onder 4.4.4 bedoelde voorwaarde voldaan. Appellant heeft zijn stelling dat hij ten tijde hier van belang niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft kunnen voorzien slechts onderbouwd door te wijzen op het besluit van 2 januari 2007 waarbij hem met ingang van 22 november 2006 bijstand is toegekend. De Raad kent aan dat besluit niet de waarde toe die appellant daaraan gehecht wenst te zien. De Raad merkt op dat het College bij besluit van 19 januari 2007 de bijstand met ingang van 22 november 2006 heeft ingetrokken. Daaraan doet niet af dat de intrekking heeft plaatsgevonden op verzoek van appellant.

4.4.6. In aanmerking genomen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij van 22 november 2006 tot

1 oktober 2007 niet heeft voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, zijn naar het oordeel van de Raad ook in hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden gelegen om de bijstandverlening eerder te laten ingaan dan op 1 oktober 2007.

4.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, treft het hoger beroep geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen grond voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD