Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4386

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
10-5206 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Wettelijke grondslag. Zorgvuldig onderzoek. Juiste medische grondslag. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5206 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 augustus 2010, 09/1505 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E.I.K. Jaminon, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jaminon. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.P. Veldman.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 20 juli 2009. Bij dit besluit heeft het Uwv, beslissend op bezwaar gehandhaafd zijn besluit dat voor appellante per 21 april 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

2.1. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat:

a. de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de beroepsgrond van appellante dat de rechtsgrondslag van het besluit van 20 juli 2009 ontbreekt, dan wel niet te herleiden is;

b. de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het besluit van 20 juli 2009 berust op een toereikende medische grondslag;

c. de rechtbank ten onrechte geen aanknopingspunten heeft gezien voor het oordeel dat de beperkingen van appellante door het Uwv zijn onderschat en

d. de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat appellante de aan de schatting ten grondslag gelegde functies kan vervullen.

2.2. Het Uwv heeft er in verweer op gewezen dat de door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden een herhaling vormen van hetgeen appellante in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Het Uwv acht een bevestiging van de aangevallen uitspraak aangewezen.

3.1. De beroepsgrond van appellante vermeld in 2.1, onder a, mist feitelijke grondslag. In het besluit van 20 juli 2009 is in het onderdeel getiteld “Wettelijke grondslag” vermeld op welke artikelen van de Wet WIA het besluit rust en is mede verwezen naar de artikelen van de Algemene wet bestuursrecht waarop meer in het bijzonder acht is geslagen. Uit de door de rechtbank gebezigde overwegingen volgt dat de rechtbank de wettelijke grondslag van het besluit heeft bezien en volgt voorts dat de rechtbank – naar aanleiding van de in het besluit genoemde artikelen vorenbedoeld – heeft bezien of aan het besluit een zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt en of het besluit op voldoende wijze is gemotiveerd.

3.2. De beroepsgronden van appellante vermeld in 2.1, onder b en c, treffen geen doel. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat met de informatie afkomstig van de appellante behandelende sector rekening is gehouden, dat er geen aanwijzingen zijn dat niet alle door appellante geuite klachten in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn bezien en dat er evenmin aanwijzingen bestaan dat appellante met de voor haar vastgestelde beperkingen te kort is gedaan. Het standpunt van appellante dat het Uwv niet zelf informatie heeft ingewonnen bij de behandelende sector, maar dat zij die informatie heeft verstrekt maakt het vorenstaande niet anders. Uit hetgeen in hoger beroep is gesteld heeft de Raad niet kunnen afleiden dat het Uwv niet beschikte over alle relevante gegevens vanuit de behandelende sector, dan wel dat naar objectieve maatstaven gemeten appellante meer beperkt is tot het verrichten van arbeid dan door het Uwv is aangenomen.

De door appellante, zonder nadere toelichting, aan de Raad gezonden brief van

dr. L. Ernon, neuroloog, werpt geen nieuw licht op de situatie van appellante per 21 april 2009. De brief geeft een verslag van een onderzoek op 26 oktober 2010 en uit de brief volgt geenszins dat bij het Uwv geen juist beeld bestond over de gezondheidssituatie van appellante op 21 april 2009.

3.3. De beroepsgrond van appellante vermeld in 2.1, onder d, treft evenmin doel. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt zijn. De Raad kan zich volledig vinden in dit oordeel en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt hier slechts aan toe dat de Raad appellante niet volgt in haar standpunt dat ten onrechte geen overleg heeft plaatsgevonden tussen de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts. Een verplichting om in alle gevallen overleg te plegen is niet aanwezig. Appellante heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan niettemin een verplichting tot overleg kan worden aangenomen.

3.4. Gelet op 3.1 tot en met 3.3 faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) M.A. van Amerongen.