Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4289

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
09-6846 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de kosten van rechtsbijstand verleend in de bestuursrechtelijke procedure zijn vergoed overeenkomstig de daarvoor in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) gegeven regeling en dat, gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van deze exclusieve regeling, voor een aanvullende vergoeding langs de weg van een zelfstandige schadebesluit geen plaats is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6846 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 november 2009, 09/1229 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2011. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% is door het Uwv per 13 september 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Appellante heeft tegen de ter zake genomen besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank en tegen de door de rechtbank op dat beroep gegeven uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad.

De Raad heeft bij uitspraak van 13 november 2007, LJN BB8124 op dit hoger beroep beslist. De Raad heeft geoordeeld dat de WAO-uitkering van appellante per .13 september 2004 terecht is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.3. Voor een uitgebreid overzicht van de feiten en omstandigheden van belang verwijst de Raad naar zijn uitspraak van

13 november 2007 genoemd in 1.2.

2.1. Bij besluit van 6 maart 2009 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 14 november 2007 tot afwijzing van het verzoek van appellante om vergoeding van door haar gemaakte kosten voor rechtsbijstand.

2.2. De rechtbank heeft het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 6 maart 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat niet alle schade die zij heeft geleden is vergoed.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de kosten van rechtsbijstand verleend in de bestuursrechtelijke procedure bedoeld in 1.2 zijn vergoed overeenkomstig de daarvoor in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) gegeven regeling en dat, gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van deze exclusieve regeling, voor een aanvullende vergoeding langs de weg van een zelfstandige schadebesluit geen plaats is. De Raad verenigt zich – ook in het licht van zijn op het karakter van die regeling betrekking hebbende uitspraak van bijvoorbeeld

6 oktober 2006 (LJN AY9651), waarnaar het Uwv in zijn verweerschrift verwijst – met het door de rechtbank gegeven oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. De Raad heeft daaraan niets toe te voegen.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het verzoek om schadevergoeding van appellante geen betrekking had op andere kosten dan kosten van rechtsbijstand. Ook in bezwaar zijn door appellante geen andere kosten aan de orde gesteld. De besluiten van 14 november 2007 en 6 maart 2009 hebben geen betrekking op andere kosten dan waarom door appellante is verzocht en behoefde daarop ook geen betrekking te hebben.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:1, juncto artikel 1:3, van de Awb heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat hetgeen appellante in beroep heeft gesteld omtrent door haar geleden emotionele schade buiten de grenzen van het besluit van

6 maart 2009 treedt en mitsdien buiten de grenzen van dit geding valt en dan ook niet tot gegrondverklaring van het beroep kan leiden.

4.4. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld omtrent de kosten van rechtsbijstand in de strafrechtelijke procedure die het gevolg is geweest van een aangifte van het Uwv inhoudende dat appellante mogelijk fraude had gepleegd, kan evenmin leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Voor een beoordeling door de bestuursrechter of het Uwv al dan niet gehouden is de door appellante gemaakte kosten voor rechtsbijstand in een strafrechtelijke procedure te vergoeden is geen plaats. Dit omdat deze kosten niet zijn veroorzaakt door – kort samengevat en voor zover hier van belang - een bestuursrechtelijk besluit waartegen (uiteindelijk) beroep bij de Raad openstaat. Het doen van aangifte van mogelijke fraude is geen besluit dat aan beide vorenbedoelde eisen voldoet.

5.1. Het hoger beroep van appellante treft gelet op de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 geen doel.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J. Brand en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK