Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4280

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
09-6777 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Geen sprake van een toename van beperkingen. Het is niet noodzakelijk dat een arbeidskundig onderzoek plaatsvindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6777 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2009, 09/711 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft zijn beroepschrift herhaaldelijk aangevuld. Het Uwv heeft op deze aanvullingen gereageerd.

Het Uwv heeft voorts vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is vanaf 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De WAO-uitkering van appellant is per 1 december 2004 ingetrokken. Die intrekking is met de uitspraak van de Raad van

9 juni 2010, LJN BM7316 in rechte onaantastbaar geworden.

2.1. Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 30 oktober 2008, waarbij is geweigerd aan appellant een WAO-uitkering na een verkorte wachttijd van vier weken te verstrekken.

Het besluit van 20 januari 2009 berust – kort samengevat – op de overweging dat geen sprake is van een toename van klachten die voortkomen uit dezelfde oorzaak die eerder hebben geleid tot toekenning van een WAO-uitkering.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 20 januari 2009 ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv en de rechtbank hebben miskend dat zijn klachten zijn toegenomen.

Appellant heeft ter staving van zijn standpunt gewezen op een röntgenfoto gemaakt in november 2008, een MRI-verslag van maart 2009, de opvatting van zijn huisarts, de bevindingen van zijn fysiotherapeut en de opvatting van een bewegingsdeskundige.

Naar de opvatting van appellant vormen deze gegevens het bewijs dat zijn klachten zijn toegenomen.

3.2. Appellant heeft voorts aangevoerd dat uit vergelijking van het in 1998 opgestelde belastbaarheidspatroon en de in 2008 opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) volgt dat zijn beperkingen zijn toegenomen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Toekenning van een WAO-uitkering na verkorte wachttijd in een situatie als beschreven in 1.1 kan plaatsvinden met toepassing van artikel 43a van de WAO. Hiervoor is het - overigens evenals in het bij het besluit van 20 januari 2009 en de aangevallen uitspraak bij vergissing vermelde artikel 39a van de WAO - noodzakelijk dat sprake is van een toename van de medische beperkingen, resulterend in de toename van de arbeidsbeperkingen.

4.3. Voldoende is mitsdien niet dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten beperkingen heeft tot het verrichten van arbeid. Noodzakelijk is dat op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten deze beperkingen zoals die zijn neergelegd in het belastbaarheidspatroon van 23 augustus 1998 zijn toegenomen.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant rugklachten had die op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten aanleiding gaven tot beperkingen om arbeid te verrichten en dat ook bij de thans in geding zijnde beoordeling deze beperkingen nog bestaan. Partijen verschillen van opvatting over het antwoord op de vraag of op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de beperkingen zijn toegenomen.

4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen appellant in beroep naar voren heeft gebracht niet kan worden afgeleid dat sprake is van een toename als bedoeld in 4.2. De Raad verenigt zich in grote lijnen met hetgeen de rechtbank ter zake op pagina drie, tweede alinea, heeft overwogen.

Ook de Raad kan uit de in beroep overgelegde stukken niet afleiden dat sprake is van een toename als vereist in artikel 43a van de WAO.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek volgt dat op zorgvuldige wijze is bezien of sprake is van een toename van geobjectiveerde beperkingen en dat niet is kunnen blijken dat de uitkomsten van dit onderzoek als neergelegd in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 14 januari 2009 onjuist zijn. De Raad merkt in dit verband overigens nog op dat waar in het bestreden besluit sprake is van “een toeneming van klachten” als voorwaarde voor een verkorte wachttijd, gelet op deze rapportage, niet anders bedoel kan zijn dan “een toeneming van beperkingen” en dat hij het bestreden besluit dan ook in die zin leest.

4.6. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Hetgeen appellant heeft gesteld omtrent de röntgenfoto, de opvatting van de huisarts, de bevindingen van de fysiotherapeut en het MRI-verslag vormt een herhaling van hetgeen ook reeds in beroep naar voren is gebracht en – zoals hiervoor vermeld – naar het oordeel van de Raad door de rechtbank op juiste wijze is beoordeeld.

4.7. Ook de opvatting van de bewegingsdeskundige biedt de Raad geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. De Raad wijst erop dat de bewegingsdeskundige, hoewel hij aangeeft dat hij de mening van de fysiotherapeut en huisarts van appellant volgt, hij ook de mening van het Uwv begrijpt. Dit omdat, zoals de bewegingsdeskundige heeft vermeld, de klachten van appellant door degeneratieve afwijkingen komen en dat dit nu zo is en ook in 1997 al zo was. Dit laatste onderschrijft de resultaten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek bedoeld in 4.5 waarin is vermeld dat appellant bekend is met rugklachten bij degeneratieve afwijkingen en dat er geen toegenomen degeneratieve afwijkingen geobjectiveerd konden worden op de röntgenfoto.

4.8. De beroepsgrond van appellant vermeld in 3.2 treft geen doel. De beschouwingen van de verzekeringsarts zoals neergelegd in de opgestelde rapportages zijn leidend. Daarbij komt dat het belastbaarheidspatroon en de FML deel uitmaken van verschillende systemen en niet zonder meer één op één zijn te vergelijken, zoals ook is toegelicht in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 17 juni 2010 naar aanleiding van specifieke, die vergelijking betreffende, vragen van de Raad.

4.9. Met juistheid heeft de rechtbank voorts overwogen dat in een situatie als in geding waarin geen sprake is van een toename van beperkingen het niet noodzakelijk is dat een arbeidskundig onderzoek plaatsvindt.

5.1. Het hoger beroep van appellant treft mitsdien geen doel en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J. Brand en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van

M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK