Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4223

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
10-6790 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wajong. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsartsen vastgestelde datum van intreden van de ongeschiktheid. De Raad ziet geen noodzaak tot onderzoek door het Uwv naar de ziektegeschiedenis van familieleden van appellant. De Raad is van oordeel dat de door gemachtigde van appellant geuite twijfel over de wijze waarop appellant in dienstbetrekking heeft gefunctioneerd onvoldoende is om de beoordeling door het Uwv onzorgvuldig te achten, nu die stelling op geen enkele te verifiëren wijze door appellant nader is onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6790 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 november 2010, 09/3669 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.R.A. Röschlau, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2011. Appellant is - met bericht van verhindering - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2. Op 4 november 2008 heeft appellant, geboren op 3 juni 1984, een uitkering ingevolge de Wajong aangevraagd. Verzekeringsarts F. Tjin-A-Ton heeft vastgesteld dat er vanaf oktober 2007 beperkingen bestonden vanwege psychische problematiek. Na onderzoek door arbeidsdeskundige A. Luijkx op 27 maart 2009 is appellant bij besluit van

2 april 2009 medegedeeld, dat uitkering ingevolge de Wajong is geweigerd, omdat niet aan de voorwaarden voor toekenning is voldaan.

3. In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat de psychische klachten reeds voor oktober 2007 waren ontstaan. Op 6 november 2009 heeft bezwaarverzekeringsarts J.L.E. Tjon-A-Sam - nadat op haar verzoek behandelend psychiater P.F.P.J. van Rijthoven op 13 oktober 2009 informatie had verstrekt - de beoordeling door de verzekeringsarts bevestigd, waarna het bezwaar bij besluit van 9 november 2009 (verder: bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de in beroep ingebrachte brief van de behandelend psychiater A.G. Limburg-Okken van 30 maart 2010 geen aanleiding gezien de medische beoordeling door het Uwv voor onjuist te houden.

5. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn klachten reeds rond zijn twaalfde levensjaar zijn ontstaan. Voorts is aangevoerd dat het onderzoek door het Uwv als onzorgvuldig bestempeld dient te worden, omdat het Uwv volgens appellant onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de ziektegeschiedenis van familieleden van appellant en onduidelijkheid zou bestaan over de wijze waarop appellant in dienstbetrekking heeft gefunctioneerd.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wajong heeft de jonggehandicapte recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken 52 weken, onmiddellijk volgend op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b bedoelde dag, arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van dat tijdvak nog arbeidsongeschikt is. Artikel 5, eerste lid, bepaalt dat jonggehandicapte is de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij 17 jaar wordt ongeschikt is;

b. na de in onderdeel a. bedoelde dag ongeschikt wordt en in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

6.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsartsen vastgestelde datum van intreden van de ongeschiktheid. De verzekeringsarts heeft die datum arbitrair bepaald op de dag waarop appellant zich voor de eerste maal in verband met de psychische problematiek tot de huisarts had gewend. Teneinde de medische problematiek op juiste wijze in te schatten heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie opgevraagd bij de behandelende psychiater en specifiek navraag gedaan naar de datum waarop de ongeschiktheid in de visie van de specialist geacht kan worden te zijn ingetreden. Psychiater Van Rijthoven heeft aangegeven dat dit eerst medio 2008 het geval is geweest. Daarmee mist de stelling van appellant, dat zijn problematiek reeds rond zijn kinderjaren zou zijn ontstaan, een objectief medische onderbouwing. Ook de medische stukken inzake de opname op grond van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) maakt dit oordeel niet anders, nu de eerste opname op 13 mei 2009 en daarmee geruime tijd na de door appellant genoemde datum van intreden van de ongeschiktheid heeft plaatsgehad. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het onderzoek door het Uwv niet als onzorgvuldig aangemerkt kan worden. Anders dan appellant ziet de Raad geen noodzaak tot onderzoek door het Uwv naar de ziektegeschiedenis van familieleden van appellant. Tenslotte is de Raad van oordeel dat de door gemachtigde van appellant geuite twijfel over de wijze waarop appellant in dienstbetrekking heeft gefunctioneerd onvoldoende is om de beoordeling door het Uwv onzorgvuldig te achten, nu die stelling op geen enkele te verifiëren wijze door appellant nader is onderbouwd. De Raad heeft ook overigens in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat wel aan de voorwaarden voor toekenning van een Wajong-uitkering zou zijn voldaan.

6.4. Uit het onder 6.3 overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2011.

(get.) E.E.V. Lenos.

(get.) M.R. van der Vos.

RK