Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
11-927 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/927 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 december 2010, 09/4417 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is sinds 1990 werkzaam geweest als dierenverzorgster gedurende 40 uur per week. Op 29 augustus 1995 heeft zij zich ziek gemeld met klachten aan pols, hand, arm, nek en schouder. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode is haar met ingang van 13 augustus 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een aantal tussentijdse herbeoordelingen heeft verzekeringsarts F. Veen op 17 december 2008 een medisch onderzoek verricht en de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aansluitend heeft arbeidsdeskundige H.J.J.M. Janssen op 3 april 2009 functies geselecteerd, tot het vervullen waarvan appellante in staat werd geacht. Op grond van een vergelijking tussen het voor appellante geldende maatman-inkomen met de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste loonwaarde is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%. Bij besluit van 8 april 2009 is de WAO-uitkering met ingang van 9 juni 2009 ingetrokken.

2. In bezwaar heeft appellante aangevoerd, dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de bij haar bestaande beperkingen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld niet fulltime te kunnen werken. Voorts heeft appellante gesteld dat de functie van productiemedewerker pluimveeslachterij ongeschikt is vanwege het met de linkerhand moeten hanteren van een mes en haar bovendien - als dierenliefhebber - niet voorgehouden had mogen worden wegens het ontbreken van affiniteit. Bezwaarverzekeringsarts P. Eken heeft op 14 juli 2009 een aanvullende beperking op de FML aangenomen ten aanzien van het aspect staan. Bezwaararbeidsdeskundige L. Lind heeft vervolgens in het rapport van 17 augustus 2009 een van de geselecteerde functies laten vervallen en vastgesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de berekende mate van arbeidsongeschiktheid. Bij besluit op bezwaar (verder: bestreden besluit) van

18 augustus 2009 is het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. In beroep tegen het bestreden besluit zijn de eerdere gronden herhaald. Namens appellante zijn - na een schorsing van het onderzoek ter zitting - brieven van fysiotherapeut-acupuncturist S. Jainandunsing van 20 september 2010 en van de huisarts L. van Rhijn van 13 september 2010 in geding gebracht, waarin het Uwv blijkens de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 26 oktober 2010 geen aanleiding heeft gezien het ingenomen standpunt te herzien.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep zijn de eerder geformuleerde gronden herhaald. Op 20 juni 2011 heeft bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink een reactie gegeven op een brief van gemachtigde van appellante van 14 juni 2011.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. Wat betreft de medische beoordeling is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De Raad overweegt dat deze artsen kennis hebben genomen van de door appellante geuite klachten en de in het dossier aanwezige medische informatie en hiermee bij de vaststelling van de beperkingen rekening hebben gehouden. Voor zover een beperking niet aangewezen werd geacht heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad op begrijpelijke wijze gemotiveerd waarop dat standpunt was gebaseerd. Ten aanzien van de door appellante in de beroepsprocedure - ter onderbouwing van de door haar gestelde noodzaak voor een urenbeperking - ingebrachte informatie van de behandelende sector, oordeelt de Raad als volgt. De Raad ziet geen reden de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 26 oktober 2010, dat die informatie haar geen aanleiding geeft voor het aannemen van een urenbeperking, niet te volgen. De Raad overweegt dat de huisarts weliswaar in zijn brief van 13 september 2010 een urenbeperking aangewezen acht, maar in die brief tevens uitdrukkelijk heeft aangegeven zijn stelling niet met objectief medische gegevens te kunnen onderbouwen. De Raad onderschrijft dan ook de visie van het Uwv ter zake en verbindt aan die brief niet die consequenties, die appellante daaraan kennelijk verbonden wenst te zien. Dit geldt ook voor de brief van de fysiotherapeut-acupuncturist van 20 september 2010, die eveneens een objectief medische onderbouwing mist. De Raad is dan ook van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat en ziet geen reden voor het inschakelen van een deskundige.

5.3. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling overweegt de Raad dat appellante geschikt is bevonden voor de functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (pluimvee) met sbc-code 111172, de productiemedewerker industrie met sbc-code 11180 en de huishoudelijk medewerker gebouwen met sbc-code 111334. De Raad is van oordeel dat de (bezwaar)arbeidsdeskundigen de geschiktheid voor de geselecteerde functies in de rapporten van 4 juni 2009, 17 augustus 2009 en 3 augustus 2010 op afdoende wijze hebben toegelicht. Ten aanzien van het gestelde ontbreken van affiniteit met de functie van medewerker voedingsmiddelenindustrie overweegt de Raad onder verwijzing naar de uitspraak van 5 november 2010, LJN BO3280, dat dit - ofschoon wel voorstelbaar - geen reden is om een functie als niet passend aan te merken.

5.4. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2011.

(get.) E.E.V. Lenos.

(get.) M.R. van der Vos.

EV