Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4171

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
10/3807 WWB + 10/3808 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering, omdat appellanten hebben verzwegen dat zij in meerdere perioden beschikten over vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens, zodat geen recht op bijstand bestaat. Terugvordering. Hoofdelijke aansprakelijkheid. Appellanten hebben niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij niet (redelijkerwijs) kunnen beschikken over het op naam van appellant staande onroerend goed in Turkije. Niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van bij de vermogensvaststelling in aanmerking te nemen schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3807 WWB

10/3808 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2010, 09/3186 en 09/4990 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F.P.M. van Gerven, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Appellanten zijn verschenen bij hun gemachtigde mr. Van Gerven. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen in de perioden van 21 mei 1999 tot en met 31 juli 2002, van 30 augustus 2002 tot en met 12 augustus 2004 en van 27 augustus 2004 tot en met 30 april 2007 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een mededeling van Marktplein Centrum van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam dat appellanten vermoedelijk over onroerend goed in Turkije beschikken, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is via het Internationaal Bureau Fraudeinformatie een onderzoek naar vermogen in Turkije ingesteld en zijn appellanten gehoord.

1.3. Op basis van dit onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 10 mei 2007, heeft het College geconcludeerd dat appellanten in ieder geval sinds 1992 een hotel, genaamd [naam hotel te (vestigings)plaats], Alanya in Turkije, met een minimaal belastbare waarde van € 412.573,--, bezitten en dat appellanten van dit bezit bij de aanvraag om bijstand noch nadien mededeling aan het College hebben gedaan.

1.4. Bij besluit van 29 mei 2007 is de aan appellanten verleende bijstand met ingang van 27 augustus 2004 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij besluit van 7 december 2007 is het tegen het besluit van 29 mei 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank bij uitspraak van 26 november 2008 het beroep - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, het besluit van 7 december 2007 vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

1.5. Naar aanleiding van de uitkomst van het onder 1.3 genoemde onderzoek heeft de sociale recherche vervolgens een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Op basis van dit onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 8 december 2008, heeft het College geconcludeerd dat appellanten door voormelde schending van de inlichtingenverplichting gedurende de perioden van 21 mei 1999 tot en met 31 juli 2002, van 30 augustus 2002 tot en met 12 augustus 2004 en van 27 augustus 2004 tot en met 30 april 2007 de gemeente Amsterdam voor een bedrag van in totaal € 126.627,-- hebben benadeeld en dat dit bedrag van appellanten zal worden teruggevorderd.

1.6. Bij besluit van 29 december 2008 heeft het College - voor zover thans nog van belang - de aan appellanten over de perioden van 21 mei 1999 tot en met 31 juli 2002 en van 30 augustus 2002 tot en met 12 augustus 2004 verleende bijstand herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat appellanten hebben verzwegen dat zij in genoemde perioden beschikten over vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens, zodat geen recht op bijstand bestaat en de over die perioden, alsmede de periode van 27 augustus 2004 tot en met 30 april 2007, gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 126.627,42 teruggevorderd, waarbij appellanten beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor deze vordering.

1.7. Bij besluit van 10 februari 2009 heeft het College het tegen het besluit van 29 mei 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank van 24 juni 2009 heeft de rechtbank het beroep - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, het besluit van 10 februari 2009 vernietigd, bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

1.8. Bij besluit van 3 juni 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 29 december 2008 ongegrond verklaard.

1.9. Bij besluit van 18 september 2009 heeft College het bezwaar tegen het besluit van 29 mei 2007 ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat appellanten hebben verzwegen dat zij in de periode van 27 augustus 2004 tot en met 30 april 2007 beschikten over vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens, zodat het recht op bijstand over die periode op nihil moet worden gesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 3 juni 2009 en 18 september 2009 ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat zij niet redelijkerwijs de beschikking hebben over het onroerend goed in Turkije. Tevens hebben appellanten verzocht om een veroordeling tot vergoeding van schade.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt voorop dat ter zake van de intrekking van de bijstand in dit geding aan de bestuursrechter ter beoordeling voorliggen de perioden van 21 mei 1999 tot en met 31 juli 2002, van 30 augustus 2002 tot en met 12 augustus 2004 en van 27 augustus 2004 tot en met 29 mei 2007.

4.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Naar vaste rechtspraak van de Raad moet de term beschikken zo worden uitgelegd dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk aan te wenden voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Eveneens naar vaste rechtspraak kunnen schulden bij de vermogensvaststelling uitsluitend in aanmerking worden genomen, indien het bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en tevens is komen vast te staan dat aan die schulden ook daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting is verbonden.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant vanaf 1996 onroerend goed in Turkije op zijn naam heeft staan waarvan de waarde de voor appellanten geldende grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt, en dat appellanten hiervan geen mededeling hebben gedaan aan het College.

4.4. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2011, LJN BP0817) rechtvaardigt het feit dat onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd de vooronderstelling dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daarin niet geslaagd, nu zij niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet (redelijkerwijs) kunnen beschikken over het op naam van appellant staande onroerend goed in Turkije. De Raad acht de enkele stelling van appellanten in dit verband dat (directe) familieleden van hen het hotel in Turkije beheren en dat appellanten zelf feitelijk geen enkele bemoeienis hebben met (de hele gang van zaken rond) het hotel dan wel het beheer en/of de exploitatie van het onroerend goed ontoereikend. Hierbij tekent de Raad aan dat het bestaan van de door appellant beweerdelijk uitgegeven senets, een soort aandelen of schuldbewijzen, veeleer een aanwijzing vormt voor het wel kunnen beschikken over het onroerend goed.

4.5. Appellanten hebben informatie uit het kadaster van 13 juni 2007 overgelegd waaruit blijkt dat op het onderhavige onroerend goed in 1999 een tweetal beslagen is gelegd en dat in 1997 en 1998 op het onroerend goed een tweetal hypotheken is gevestigd. Voorts hebben appellanten een aantal (dwang)bevelen tot betaling uit 2004, 2005 en 2006 overgelegd. De Raad is van oordeel dat appellanten met deze stukken niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet redelijkerwijs over het onroerend goed kunnen beschikken en/of dat er sprake is van bij de vermogensvaststelling in aanmerking te nemen schulden. Uit het enkele feit dat hypotheken zijn gevestigd op het onroerend goed en beslagen daarop zijn gelegd en dwangbevelen zijn uitgevaardigd, vloeit niet voort dat appellant ten tijde in geding nog debiteur was, en zegt niets over de omvang van de gestelde schulden ten tijde in geding, terwijl de privaatrechtelijke beperkingen van de vervreemdingsbevoegdheid, die zouden kunnen voortvloeien uit beslag en hypotheekverschaffing, niet uitsluiten dat appellant de (rest)waarde tot zijn levensonderhoud kon en kan benutten.

4.6. Gelet op het voorgaande was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand over genoemde perioden. Appellanten hebben de wijze waarop het College gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid niet bestreden. Hiermee is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was tot terugvordering over de in geding zijnde perioden. Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat dit onderdeel van het besluit van

3 juni 2009 geen nadere bespreking behoeft.

4.7. Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en dat het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B. Bekkers.