Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4124

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
10-5104 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5104 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 augustus 2010, 09/1460 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuut van het Uitvoeringsinstituut werkneersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Door voormelde gemachtigde is bij brief van 7 juni 2011 een rapport van 2 juni 2011 van W.M. van der Boog, verzekeringsarts, in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2011. Appellant en voormelde gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant voorheen werkzaam als administratief medewerker heeft zich per 24 januari 2000 ziek gemeld met klachten van psychische aard. Aan hem is een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ( WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% . Een herbeoordeling in 2005 heeft tot de conclusie geleid dat de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op minder dan 15%, omdat hij geschikt is te achten om een aantal aan zijn beperkingen aangepaste functies uit te oefenen. Bijgevolg is bij besluit van 12 april 2005 de

WAO- uitkering van appellant per 5 juni 2005 ingetrokken. Bij besluit van 5 oktober 2005 is door het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 april 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2005 ongegrond verklaard. Namens appellant is tegen de desbetreffende uitspraak hoger beroep ingesteld. De Raad heeft bij uitspraak van 20 februari 2009, 07/1230, LJN BH3875, onder meer de aangevallen uitspraak vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 oktober 2005 vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Er is volgens de Raad ten aanzien van het besluit van 5 oktober 2005 sprake van een onzorgvuldige medische voorbereiding. Het had op de weg gelegen van de bezwaarverzekeringsarts – die niet bij de hoorzitting aanwezig was, terwijl in de primaire fase geen informatie van derden was ingewonnen – om appellant op zijn spreekuur op te roepen en te onderzoeken teneinde zelf te beoordelen of het oordeel van de primaire arts juist was.

1.2. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft G.P.J. de Kanter, bezwaarverzekeringsarts, blijkens zijn rapport van 31 juli 2009 het dossier van appellant bestudeerd, hem gezien op zijn spreekuur en informatie uit de behandelende sector ingewonnen. In zijn rapport komt De Kanter tot de conclusie dat de aan de intrekking uit 2005 ten grondslag liggende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 maart 2005 geen wijziging behoeft. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 3 augustus 2009 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard

2. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft hij onder meer aangevoerd dat bij hem sprake is van meer medische beperkingen dan door De Kanter is aangenomen. Met name zijn psychische toestand was in juni 2005 slechter. Ook is de ernst van zijn been- en rugklachten onderschat. Tevens heeft hij er op gewezen dat zijn bezwaarschrift dateert van 28 april 2005 zodat inmiddels de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende basis biedt om aan de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Bovendien heeft appellant zijn stellingen niet met nadere medische gegevens onderbouwd. De klacht betreffende de schending van artikel 6 van het EVRM heeft de rechtbank niet beoordeeld omdat appellant ter zitting heeft aangegeven het beroep hierop in te zullen dienen in een separate procedure dan wel alsnog in een eventuele procedure bij de Raad.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere stellingen herhaald. Tevens heeft hij gewezen op het in hoger beroep ingezonden, eerder genoemde, rapport van de verzekeringsarts Van der Boog. Appellant heeft alsnog een verzoek gedaan tot het ontvangen van schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in het EVRM, rekening houdend met het gegeven dat door het Uwv bij besluit van 11 augustus 2010 op zijn verzoek terzake reeds als voorlopige vergoeding een bedrag van € 500,- is betaald.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2.1. De bezwaarverzekeringsarts De Kanter heeft als aangegeven, appellant zelf onderzocht en informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant en bij de behandelend specialisten. Tevens heeft hij rekening gehouden met het gestelde in de brieven van 8 maart 2005 respectievelijk 8 april 2005 van P.L.J.A. Bernsen, neuroloog en A.M. Breurkens, psycholoog. Op grond van deze gegevens en eigen onderzoek concludeert hij dat de medische situatie van appellant ten tijde van het onderzoek niet wezenlijk verschilt van die uit 2005 en tevens dat er geen sprake is van ernstige been- en rugklachten. De FML van 17 maart 2005, die op het fysieke vlak reeds beperkingen bevatte, behoeft geen aanscherping. Zulks geldt ook voor de daarin al opgenomen beperkingen op psychisch gebied, nu appellant sedert medio 2005 al niet meer onder behandeling van een psycholoog was en sedert die tijd geen antidepressiva meer gebruikte. De verklaring van Breurkens voornoemd, vermeldt weliswaar de aanwezigheid van depressieve klachten, maar geeft ook aan dat stap voor stap vooruitgang wordt geboekt. De Raad ziet geen aanleiding om de bezwaarverzekeringsarts niet in zijn conclusies te volgen. Het rapport van Van der Boog legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal, nu dit geen overtuigende objectief medische bevindingen bevat die voldoende steun bieden voor de stellingen van appellant en het rapport uitsluitend een beschrijvend karakter heeft. De medische grondslag van het bestreden besluit moet dan ook voldoende deugdelijk worden geacht.

5.2.2. De bezwaararbeidsdeskundige H.F.Westerman heeft in zijn rapport van 14 maart 2006 de geschiktheid van de geselecteerde functies voor appellant reeds afdoende toegelicht. De Raad is (ook overigens) niet gebleken dat deze functies niet in medisch opzicht als voor appellant passend zijn aan te merken.

5.3.1. Met betrekking tot het beroep op overschrijding van de redelijke termijn als hiervoor aangegeven, merkt de Raad allereerst op dat gelet op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 28 april 2005 en de datum waarop de Raad in dit geding uitspraak zal doen, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM – in beginsel te stellen op vier jaar – is overschreden. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van omstandigheden die ertoe zouden kunnen leiden dat in dit geval een langere termijn zou mogen gelden. Als een dergelijke omstandigheid is in elk geval niet aan te merken het feit dat (de gemachtigde van) appellant ter zitting van de Raad, die vooraf ging aan eerder genoemde uitspraak van 20 februari 2009, heeft aangegeven geen verlies van instantie te wensen, hetgeen ertoe heeft geleid dat de Raad onder meer het Uwv heeft opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Raad wijst erop dat, zoals de Raad eerder, zie onder andere zijn uitspraak van 25 maart 2009, LJN BH9991, heeft overwogen, in een geval waarin de vernietiging van een besluit op bezwaar (door de rechter) leidt tot een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend, tenzij sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd in elk van de rechterlijke fases. Dit laatste doet zich in dit geval niet voor. Het Uwv heeft overigens erkend tot vergoeding van schade in verband met schending van artikel 6 EVRM verplicht te zijn. Nu de overschrijding twee jaar en enkele maanden bedraagt en het Uwv – naar tussen partijen niet in geschil is – terzake al € 500,- heeft betaald, zal de Raad het Uwv veroordeling tot een vergoeding van € 2000,-.

5.3.2. Uit hetgeen onder 5.2.1 tot en met 5.3.1 is overwogen volgt, dat de Raad – met vernietiging van de aangevallen uitspraak – het beroep gegrond zal verklaren, het bestreden besluit zal vernietigen en – nu de Raad de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan onderschrijven – de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zal laten. Het Uwv zal worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 2000,-.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er geen plaats voor een separate vergoeding van renteschade zoals door appellant verzocht.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv tot het betalen aan appellant van een schadevergoeding van

€ 2000,-;

Wijst voor het overige het verzoek tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en

N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

EK