Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4119

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
09-4282 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld omdat de uitval kennelijk was te verwachten, berust op goede gronden. Appellante verrichtte als verkoopster voornamelijk staand en lopend werk. Appellante was bij aanvang van haar werk als gevolg van haar fibromyalgieklachten zodanig beperkt in staan en lopen dat zij niet gedurende een hele werkdag staand-lopende werkzaamheden kon verrichten. Uit de medische gegevens blijkt dan ook genoegzaam dat uit de bij de aanvang van de verzekering bestaande gezondheidstoestand met een grote mate van zekerheid was af te leiden dat deze toestand binnen een half jaar na aanvang van de verzekering tot het intreden van ongeschiktheid tot werken zou leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4282 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 juni 2009, 08/1329 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2011.

Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Bovenkamp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als thuishulp A gedurende 24 uur per week. Op 18 maart 2002 is zij wegens rug-, schouder- en heupklachten ongeschikt geworden voor dit werk. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken is aan haar met ingang van 17 maart 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 22 december 2003 ingetrokken, omdat appellante geschikt werd geacht voor passende functies waarin geen sprake was van een enig inkomensverlies. Bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling die aan deze schatting ten grondslag is gelegd, is vastgesteld dat appellante tijdens werk ongeveer 4 uur kon lopen en staan en niet gedurende een hele werkdag staand-lopende werkzaamheden mocht verrichten. Met betrekking tot staand-lopende werkzaamheden gold dat deze zo afwisselend mogelijk dienden plaats te vinden.

1.2. Appellante is op 4 december 2006 vanuit de situatie dat zij een bijstandsuitkering ontving voor een periode van zes maanden in dienst getreden bij [S.] B.V., voor welk bedrijf zij ging werken als verkoopster in een [naam kledingzaak] te [vestigingsplaats]. Op 2 maart 2007 heeft appellante haar werk wegens pijnklachten, onder meer van de schoudergewrichten, gestaakt. Naar aanleiding hiervan is aan appellante ziekengeld toegekend.

2. Bij besluit van 10 augustus 2007 is aan appellante meegedeeld dat haar met ingang van 13 augustus 2007 op grond van artikel 44 van de Ziektewet (ZW) geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd omdat haar uitval kennelijk was te verwachten.

3. Bij besluit van 3 juli 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 augustus 2007 ongegrond verklaard.

4.1. De rechtbank heeft het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb vernietigd, omdat blijkens het verhandelde ter zitting de ziekengelduitkering anders dan in dit besluit is vermeld eerst per de datum 17 augustus 2007 diende te worden geweigerd.

4.2. De rechtbank is, verwijzend naar artikel 44, eerste lid aanhef en onder b, van de ZW verder van oordeel dat uit de bij aanvang van de verzekering bestaande gezondheidstoestand van appellante met een grote mate van zekerheid is af te leiden dat deze toestand binnen een half jaar tot ongeschiktheid zou leiden. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante op 4 december 2006 werkzaamheden is gaan verrichten die voornamelijk staand en lopend - en vanaf januari 2007, alleen - dienden te worden verricht. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv dan ook bevoegd ziekengeld te weigeren, terwijl het beleid van het Uwv - zoals neergelegd in de Beleidsregels weigering ziekengeld bij bestaande of te verwachten ongeschiktheid (Stcrt. 2004, nr. 115) - niet aan de weigering in de weg staat. De rechtbank heeft op grond hiervan bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

5. Het hoger beroep is gericht tegen het onder 4.2 vermelde oordeel van de rechtbank.

6.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft in grote lijnen de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad heeft daarbij nog het volgende overwogen.

6.2. Uit arbeidskundig onderzoek is gebleken dat appellante als verkoopster van kleding per week 32 uur op ten minste drie hele dagen per week werkte en bij de aanvang van het werk in december 2006 vrijwel uitsluitend, te weten ongeveer 7 uur per dag, staand moest werken. Eerst in januari en februari 2007 na de ontvangst van de nieuwe collectie kon zij in beperkte mate, te weten ca. 3 uur per dag, zittend werken. Bij onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld dat appellante bij aanvang van haar werk op 4 december 2006 als gevolg van haar fibromyalgieklachten zodanig beperkt was in staan en lopen dat zij niet gedurende een hele werkdag staand-lopende werkzaamheden kon verrichten. Uit de medische gegevens blijkt dan ook genoegzaam dat uit de bij de aanvang van de verzekering bestaande gezondheidstoestand van appellante met een grote mate van zekerheid was af te leiden dat deze toestand binnen een half jaar na aanvraag van de verzekering tot het intreden van ongeschiktheid tot werken zou leiden. Naar het oordeel van de Raad was het Uwv dan ook bevoegd ziekengeld te weigeren.

6.3. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot weigering van ziekengeld. Anders dan appellante heeft gesteld, staat het beleid van het Uwv, neergelegd in voormelde beleidsregels - in aanmerking genomen dat appellante korter dan drie maanden heeft gewerkt - niet aan die weigering in de weg. Nu appellante sinds de schatting in 2003 wist dat zij ongeschikt was voor werk dat hoofdzakelijk lopend en staand werd verricht, heeft zij zich bij het begin van de dienstbetrekking moeten realiseren dat zij naar alle waarschijnlijkheid binnen drie maanden voor dat werk ongeschikt zou worden. Dat appellante, naar zij stelt, in december 2006 werd geholpen door twee collega’s, zodat zij minder staand hoefde te werken, doet hier niet aan af, nu het evident ging om tijdelijke hulp in verband met de kerstdrukte. De stelling van appellante dat zij verkeerd is voorgelicht over de zwaarte van het werk is niet aannemelijk gemaakt. Het komt de Raad dan ook voor dat appellante bij de aanvaarding van het werk een evident onjuiste keuze heeft gemaakt. Nu verder aannemelijk is dat het werk op het niet meer bestaande verkooppunt bij [naam warenhuis], waar appellante heeft gewerkt, niet wezenlijk verschilt van dat waar de bezwaararbeidsdeskundige onderzoek heeft verricht, kan ook de daarop gerichte grief niet worden gehonoreerd.

6.4. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 6.3 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en

N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

EV