Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
09-3054 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Geschiktheid voor tenminste één van de in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies. Niet gebleken, dat de ernst van de hier bedoelde beperkingen sedert 2006 in relevante mate is toegenomen. Met betrekking tot de stofallergieklachten heeft de bezwaararbeidsdeskundige uiteengezet dat van blootstelling aan schimmel en huisstofmijt in de geduide functies geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3054 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 mei 2009, 07/5517 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een rapport van

A.J. Hoffman, bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante voorheen werkzaam productiemedewerkster in een tassenfabriek, heeft zich in 1997 ziek gemeld met voornamelijk psychische klachten. Aan haar is een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid, welke uitkering door het Uwv per

18 oktober 2006 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het tegen het desbetreffende herzieningsbesluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 8 maart 2007 ongegrond verklaard. Daaraan liggen de Functionele Mogelijkheden lijst (FML) van 19 juli 2006 en de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige van 11 januari 2007 respectievelijk 26 februari 2007 ten grondslag. Het tegen het besluit van 8 maart 2007 ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. De Raad heeft de desbetreffende uitspraak van de rechtbank bevestigd bij uitspraak van 18 september 2009, LJN BJ8146.

2. Appellante heeft zich op 16 april 2007, vanuit de situatie dat zij (aanvullende) uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld en daarbij aangegeven naast psychische klachten ook last te hebben van stofallergie. Nadat haar aanvankelijk een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) was verstrekt, is appellante bij besluit van

9 juli 2007 per 11 juli 2007 verdere uitkering van ziekengeld geweigerd, omdat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht, dat wil zeggen dat zij geschikt werd geacht voor tenminste één van de haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies. Het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van

21 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan ligt onder meer het rapport van 15 november 2007 van R.J. Vervloet, bezwaarverzekeringsarts ten grondslag.

3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, dat de (bezwaar)verzekeringsarts er met recht van uit is gegaan dat er in enige mate een toename is van beperkingen, omdat er bij appellante inmiddels ook sprake is van stofallergie, maar dat zij desondanks de in het kader van de WAO-beoordeling uit 2006 geselecteerde functies – althans tenminste één daarvan – kan uitoefenen. De gezondheidstoestand van appellante op met name het psychische vlak is ten opzichte van de herziening uit 2006 niet zodanig veranderd, dat zij niet één van de destijds geduide functie zou kunnen uitoefenen. De rechtbank kan zich verenigen met het door de bezwaarverzekeringsarts Vervloet gegeven commentaar op de door appellante in geding gebrachte verklaring van 16 oktober 2007 van W. Blik, systeemtherapeute verbonden aan de GGZ Midden Brabant.

4. Namens appellante is in hoger beroep met name aangevoerd, dat bij haar sprake is van een complex van lichamelijke en psychische klachten en dat de ernst daarvan door (het Uwv en) de rechtbank is onderschat. Ter onderbouwing daarvan heeft zij gewezen op de eerder genoemde verklaring van Blik en de in beroep in geding gebrachte verklaring van 24 september 2007 van E. Rutten, psychiater.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad merkt allereerst op dat de rechtbank er met recht conform vaste jurisprudentie van de Raad, van uit is gegaan, dat de in de situatie van appellante in aanmerking te nemen arbeid wordt gevormd door elk van de in het kader van de

WAO-beoordeling voor appellante geselecteerde functies - door het Uwv zijn hier de functies productiemedewerker metaal/elektro en productiemedewerker (samensteller) genoemd. De Raad merkt vervolgens op, dat blijkens de gedingstukken de psychische klachten van appellante op de voorgrond staan. Daarmee is echter al bij de beoordeling in 2006 rekening gehouden. De FML van 19 juli 2006 bevat een aantal beperkingen op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren (onder meer betreffende de items veelvuldige deadlines, handelingstempo, conflicten en samenwerken). Tevens zijn in deze FML een, niet gering, aantal beperkingen van fysieke aard opgenomen. De geschiktheid van de geduide functies is destijds door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 26 februari 2007 bezien en waar nodig nader gemotiveerd. Niet is gebleken, dat de ernst van de hier bedoelde beperkingen sedert 2006 in relevante mate is toegenomen. Zulks volgt ook niet uit de eerder genoemde verklaringen van Rutten en Blik, nu daarin slechts een diagnose en enkele meer algemene mededelingen zijn opgenomen over de toestand van appellante, onder andere dat zij nog steeds somber en futloos is. Met betrekking tot de stofallergieklachten van appellante heeft de verzekeringsarts K.G.M. van den Brand opgemerkt dat blootstelling aan stof in de twee hiervoor genoemde functies niet voorkomt. Tevens kan erop worden gewezen, dat de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 18 september 2009 vermeldt dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 6 juni 2008 uiteen heeft gezet dat van blootstelling aan schimmel en huisstofmijt in de geduide functies geen sprake is. Medische of andere gegevens die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn door appellante niet in het geding gebracht.

5.3. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.4. Nu de aangevallen uitspraak in stand blijft is voor een veroordeling tot het betalen van schadevergoeding, zoals door appellante is verzocht, geen plaats.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en

N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

RK