Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4076

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
09-4250 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering. Inkomsten zijn terecht aangemerkt als inkomen uit arbeid. Het standpunt van appellant dat het Uwv ten onrechte de stakingswinst van € 92.286,- als inkomsten uit arbeid heeft aangemerkt deelt de Raad niet nu naar zijn oordeel in het geheel geen sprake is van een feitelijke bedrijfsbeëindiging van de onderneming, maar van een voortzetting van die onderneming in een andere juridische structuur. In de door appellant ingebrachte brief van de Belastingdienst van 13 juli 2009 heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen. Deze brief vermeldt immers dat de stakingswinst is omgezet in een lijfrentevoorziening bij de opgerichte holdingvennootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4250 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 18 juni 2009, 08/1106 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft A.T.A.A. Teunissen, werkzaam bij Hoendervangers en Luijkx, Accountants en Belastingadviseurs te Sprundel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2011. Appellant noch zijn gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1961, was werkzaam als zelfstandig slager in zijn onderneming “[onderneming]” toen hij in 2004 wegens rugklachten voor dat werk gedeeltelijk uitviel. Bij besluit van 21 april 2005 is hem met ingang van 11 mei 2005 een uitkering toegekend ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Naar aanleiding van de bedrijfsresultaten over het boekjaar 2006 is bij besluit van 1 augustus 2008 met toepassing van artikel 58 van de WAZ op de uitkering van appellant over het jaar 2006 een korting toegepast waardoor deze op nihil is gesteld. Bij besluit van 26 augustus 2008 wordt van appellant over het jaar 2006 € 3.479,76 aan onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd. Bij besluit van 17 november 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar tegen de besluiten van 1 augustus 2008 en 26 augustus 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die het rechtvaardigen om af te wijken van de algemene regel dat voor de vaststelling van het inkomen uit arbeid van een zelfstandige bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ in beginsel dient te worden uitgegaan van de door de fiscus geaccepteerde nettowinst van de onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank betekent de omstandigheid dat met ingang van 1 januari 2006 sprake is van een fiscaal-juridische beëindiging van de onderneming in de vorm van een V.O.F. niet dat het Uwv had dienen af te wijken van de door appellant gemaakte en door de fiscus gevolgde fiscale keuze. Ook is volgens de rechtbank niet gebleken dat de fiscus de stakingswinst van € 92.286,- heeft erkend zodat het Uwv dit bedrag met rechte bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ in aanmerking heeft genomen.

3. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank betwist dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van de hoofdregel met betrekking tot de door de fiscus erkende netto-winst dient te worden afgeweken. Volgens appellant heeft de fiscus wel erkend dat in het voor het jaar 2006 als winst uit onderneming aangegeven belastbaar inkomen uit woning en werk tot een bedrag van € 108.241,- een stakingswinst van € 92.286,- is opgenomen. Appellant heeft daartoe verwezen naar de brief van de Belastingdienst Zuidwest kantoor Goes van 13 juli 2009. Volgens appellant is hij overigens in loondienst van de nieuw opgerichte BV en dient zijn inkomsten uit arbeid voor het jaar 2006 berekend te worden op € 50.233,-.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZ wordt, indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, maar wordt de uitkering niet betaald indien de inkomsten zodanig zijn dat als die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%.

4.2. Zoals het Uwv en de rechtbank terecht hebben gesteld en geoordeeld komt volgens vaste rechtspraak van de Raad bij het beantwoorden van de vraag of inkomsten van een zelfstandige als inkomen uit arbeid in het kader van artikel 58 van de WAZ moeten worden aangemerkt, in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en door de fiscus gehonoreerde - keuze. Van die keuze kan slechts worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen.

4.3. De Raad ontleent aan hoofdstuk 2 van de jaarrekening 2006 van [B.V.] het volgende. Per 1 januari 2006 is de onderneming [onderneming] ingebracht in de onderneming [holding B.V.] Direct volgend op de inbreng van de onderneming in [holding] is de gehele onderneming, exclusief de rekening-courantverhouding met de directie en de lijfrenteverplichtingen, zogenoemd fiscaal ruisend ingebracht in de dochtervennootschap [vastgoed B.V.] Direct volgend op de inbreng van de onderneming in [vastgoed B.V.] is de gehele onderneming, exclusief het onroerend goed en de lening onroerend goed van de Rabobank fiscaal ruisend ingebracht in de dochtervennootschap [dochtervennootschap] Blijkens de belastingaangifte inkomstenbelasting en premieheffing 2006 heeft appellant als belastbaar inkomen in box 1 aangegeven dat de winst uit onderneming € 108.241,- bedraagt. Gelet hierop heeft het Uwv die inkomsten naar het oordeel van de Raad terecht aangemerkt als inkomen uit arbeid. Het standpunt van appellant dat het Uwv ten onrechte de stakingswinst van € 92.286,- als inkomsten uit arbeid heeft aangemerkt deelt de Raad niet nu naar zijn oordeel, gelet op het voorgaande, in het geheel geen sprake is van een feitelijke bedrijfsbeëindiging van de [onderneming], maar van een voortzetting van die onderneming in een andere juridische structuur. In de door appellant ingebrachte brief van de Belastingdienst van 13 juli 2009 heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen. Deze grief vermeldt immers dat de stakingswinst is omgezet in een lijfrentevoorziening bij de opgerichte holdingvennootschap.

4.4. De Raad merkt ten overvloede nog op dat zo het al zo zou zijn dat het Uwv het bedrag van € 92.286,- ten onrechte bij de vaststelling van de inkomsten uit arbeid heeft betrokken, dat niet betekent dat daarmee het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Uitgaande van de door appellant opgegeven inkomsten uit arbeid over het jaar 2006 van

€ 50.233,-, bedraagt de mate van zijn arbeidsongeschiktheid ook dan minder dan 25%. Hierdoor is hem eveneens ten onrechte over dat jaar een WAZ-uitkering verstrekt en heeft het Uwv die uitkering terecht van appellant teruggevorderd.

5. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, als voorzitter en J. Riphagen en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

EV