Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
10-2369 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering is terecht. Nu appellante geen duidelijkheid over haar woonsituatie ten tijde van haar aanvraag heeft verschaft, heeft zij niet voldaan aan de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2369 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2010, 10/600 en 10/601 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Verkerk, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Namens appellante is mr. Verkerk verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten

en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft zich op 10 november 2009 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante heeft bij haar aanvraag opgegeven woonachtig te zijn op het adres [adres 1] te [gemeente].

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het College een onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader hebben handhavingspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam op 25 november 2009 een onaangekondigd huisbezoek gebracht aan het opgegeven adres maar appellante is daar niet aangetroffen. Vervolgens heeft op 27 november 2009 een gesprek met appellante op kantoor plaatsgevonden en is aansluitend een huisbezoek afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 november 2009. Bij besluit van 2 december 2009 heeft het College de aanvraag van appellante afgewezen, op de grond dat niet is gebleken dat appellante woonachtig is op het opgegeven adres.

1.3. Bij besluit van 7 januari 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 januari 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 7 januari 2010 ongegrond is verklaard. Appellante voert aan dat zij wel woont op het opgegeven adres en bestrijdt dat zij een tweetal verklaringen heeft ondertekend waarin vermeld zou staan dat zij niet op dit adres woont. Naar de mening van appellante is niet de volledige verklaring aan haar voorgelezen. Appellante zou een verklaring dat zij niet op het opgegeven adres woont nooit hebben ondertekend.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De door de Raad te beoordelen periode strekt zich uit van 10 november 2009 tot en met de datum van het primaire besluit (2 december 2009).

4.2. De vraag waar iemand woont dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand.

4.3. De Raad is van oordeel dat er in dit geval een toereikende grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat appellante niet de juiste inlichtingen heeft verstrekt over haar feitelijke woonsituatie. Daarbij kent de Raad zwaarwegende betekenis toe aan het rapport van 30 november 2009, met daarin de bevindingen van het huisbezoek en de twee verklaringen van appellante afgenomen op kantoor en tijdens het huisbezoek. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat, ook indien later van een eerdere verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens door een belanghebbende ondertekende verklaring, tenzij sprake is geweest van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De Raad heeft hiervoor in dit geval geen toereikende aanknopingspunten gevonden, te minder nu appellante met een wisselend standpunt op de gedane verklaringen is teruggekomen. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante verklaard zich niet meer te kunnen herinneren dat de verklaring in de woning zou zijn voorgelezen en in hoger beroep is de stelling opgeworpen dat de volledige verklaring niet zou zijn voorgelezen. De Raad acht het niet aannemelijk dat niet de volledige verklaring, voorafgaand aan de ondertekening, aan appellante zou zijn voorgelezen en gaat dan ook uit van de juistheid van de opgetekende verklaringen. Door appellante is verklaard dat zij bij haar vriend [naam vriend] verblijft en voor zover hier van belang vanaf de laatste maand, en wel per 1 november 2009. Deze verklaring in samenhang bezien met de aangetroffen situatie op het adres [adres 1] ondersteunt het standpunt van het College dat appellante ten tijde in geding niet woonachtig was op dit adres. Uit het huisbezoek blijkt dat in de woning geen persoonlijke bezittingen zijn aangetroffen, dat de inrichting van de keuken summier was en dat badkamer er ongebruikt uit zag.

4.4. Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat, nu appellante geen duidelijkheid over haar woonsituatie ten tijde van haar aanvraag heeft verschaft, zij niet heeft voldaan aan de op haar ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting. Hierdoor is niet vast te stellen of appellante ten tijde in geding verkeerde in omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 van de WWB. Het College heeft de aanvraag van appellante dan ook terecht afgewezen.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B. Bekkers.

EW