Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
09-4327 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2009:BI9805
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering over 2007. Gelet op de onderbewindstelling zijn de geaccordeerde kosten van de beloning noodzakelijk en vloeien deze voort uit de bijzondere individuele omstandigheden van betrokkene. Dit laat onverlet dat bij twijfel door het bestuursorgaan een onderzoek kan worden ingesteld om te verifiëren of de met de bewindvoering betrokken werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd daadwerkelijk zijn gemaakt. In het onderhavige geval is echter niet gesteld of gebleken dat die werkzaamheden niet zijn verricht of die kosten niet zijn gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4327 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weststellingwerf (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 juni 2009, 09/322 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 2 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E.P. Groot, advocaat te Groningen, een verweerschrift ingediend.

Het geding is aan de orde gesteld op de zitting van 21 juni 2011. Partijen, waarvan betrokkene met voorafgaand bericht, zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Leeuwarden van 11 januari 2007 is bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan betrokkene met benoeming van Bewindvoering Zuidlaren B.V. (hierna: BZ B.V.) tot bewindvoerder.

1.2. Bij brief van 14 oktober 2008 heeft A. van der Slijk van BZ B.V. (onder bijvoeging van een eerder op 20 juni 2007 gedateerde aanvraag waarop geen reactie is ontvangen) namens betrokkene een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van bewindvoering over 2007 tot een totaalbedrag van € 1.525,81. Bij besluit van 5 november 2008 heeft appellant deze aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 6 februari 2009 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2008 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 1:447, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen sprake is van kosten van bewindvoering, nu de (aanvullende) periodieke bijstandsuitkering van betrokkene niet kan worden gerekend tot de opbrengst van de onder bewind staande goederen en de kantonrechter de bewindvoerderskosten niet afwijkend heeft vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard en het besluit van 6 februari 2009 vernietigd. Daartoe is overwogen dat de gedeclareerde kosten in dit geval als kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB moeten worden aangemerkt, dat niet is betwist dat betrokkene deze kosten niet zelf kan dragen en dat het enkele feit dat de bewindvoerder de kantonrechter had kunnen verzoeken om de beloning anders vast te stellen niet meebrengt dat de kosten van de bewindvoering niet als noodzakelijke kosten in de zin van de WWB kunnen worden beschouwd.

3. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat de kantonrechter de kosten van bewindvoering niet anders heeft vastgesteld, zodat deze kosten niet kunnen worden gerekend tot de kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. De gevraagde bijzondere bijstand is derhalve terecht afgewezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.

4.2. Artikel 1:447, eerste lid, van het BW bepaalt dat de bewindvoerder 5% van de netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen toekomt, tenzij de beloning bij de instelling van het bewind anders is geregeld. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de bewindvoerder of de rechthebbende, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de instelling of door de wet is aangegeven.

4.3. De Raad stelt voorop dat, mede gezien het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 1998, LJN AC3978, de betaling van een bijstandsuitkering niet is aan te merken als netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen als bedoeld in artikel 1:447, eerste lid, van het BW. De Raad stelt voorts vast dat in de beschikking tot onderbewindstelling van 11 januari 2007 geen (afwijkende) regeling ter zake van de beloning van de bewindvoerder is opgenomen.

4.4. Op 1 juni 2004 zijn de door het Landelijk overleg kantonrechters (LOK) vastgestelde Aanbevelingen gepubliceerd. De Aanbevelingen hebben onder meer betrekking op de beloning van de bewindvoerder en bevatten, voor zover hier in het bijzonder van belang, de forfaitaire jaarlijkse beloningen voor bewindvoerders, voor het geval de norm van 5% als bedoeld in artikel 1:447, eerste lid, van het BW niet voldoet. Dit brengt mee dat een kantonrechter, in het geval hij ambtshalve dan wel op verzoek van de bewindvoerder of van de rechthebbende oordeelt over de vraag of er grond is de beloning anders te regelen als bedoeld in artikel 1:447, eerste lid, tweede volzin, van het BW, de in de Aanbevelingen vastgestelde forfaitaire jaarlijkse beloningen als uitgangspunt neemt.

4.5. De Raad leidt uit de stukken af dat BZ B.V. op 22 februari 2008 de kantonrechter van de rechtbank Assen heeft verzocht de kosten van beschermingsbewind voor 2007 ten behoeve van betrokkene vast te stellen. Daarbij is aangegeven dat het toepasselijke normbedrag volgens de Aanbevelingen van het LOK voor 2007 € 847,50 bedraagt

(15 uren á € 56,50). Op 25 februari 2008 is de nota tot een bedrag van € 812,19 gestempeld, voor akkoord getekend en geretourneerd door de griffier van het kantongerecht. Hoewel een dergelijke wijze van afhandeling wellicht niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de Raad in dit geval geen grond voor het oordeel dat dit niet met instemming van de kantonrechter zou zijn gebeurd. De Raad is voorts van oordeel dat deze goedkeuring dient te worden aangemerkt als het anders regelen van de beloning als bedoeld in artikel 1:447, eerste lid, tweede volzin, van het BW.

4.6. Het voorgaande brengt mee dat de BZ B.V. ten tijde van belang jegens betrokkene aanspraak op beloning voor de bewindvoering over 2007 kon maken tot een bedrag van € 812,19. Gelet op de onderbewindstelling zijn de geaccordeerde kosten van deze beloning noodzakelijk en vloeien deze voort uit de bijzondere individuele omstandigheden van betrokkene. Dit laat onverlet dat bij twijfel door het bestuursorgaan een onderzoek kan worden ingesteld om te verifiëren of de met de bewindvoering betrokken werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd daadwerkelijk zijn gemaakt. In het onderhavige geval is echter niet gesteld of gebleken dat die werkzaamheden niet zijn verricht of die kosten niet zijn gemaakt.

4.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

4.8. Uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting zal de Raad voorts het besluit van 5 november 2008 herroepen en bepalen dat betrokkene bijzondere bijstand toekomt voor de kosten van bewindvoering over 2007 tot een bedrag van € 812,19. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat niet in geschil is dat betrokkene ten tijde in geding over enige in aanmerking te nemen draagkracht beschikte.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Herroept het besluit van 5 november 2008;

Bepaalt dat betrokkene bijzondere bijstand wordt verleend tot een bedrag van € 812,19 voor de kosten van bewindvoering over 2007;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- ;

Heft van het College een griffierecht van € 447,--

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B. Bekkers.

EW